Sla over naar de inhoud

Zinul si onzinul (1)

Waarschuwing: Dit boek mag alleen door intelligente mensen gelezen worden.

1. Op een dag ontmoette Anton God.

Anton had een ijzeren moraal en een voorbeeldig plichtsbesef. Hij kreeg de kans om tussen zijn eigen dood en de dood van zijn vrouw te kiezen. Voor een ander zou een dergelijke beslissing niet moeilijk zijn. ‘Ik ken je als een altruïstisch mens – zei God – maar je keuze zal niet makkelijk zijn. Als je jezelf opoffert, zullen je vrouw en je kinderen zonder voldoende bronnen van bestaan moeten leven.’

Voor A. zou de dood van zijn vrouw ondraaglijk zijn. Hij hield meer van haar dan ik hier kan beschrijven. Bovendien, zijn opofferingsgezindheid en zijn ethiek stonden hem niet toe voor iets egoïstisch te kiezen. Zijn keus zou niet alleen een kwestie van egoïsme zijn, maar in zekere zin ook een misdaad. Op het moment dat iemand overlijdt door onze wil, zijn we schuldig door onze beslissing.

Anton stond er niet bij stil wat de gevolgen van deze ontmoeting voor zijn leven zouden zijn. Op dat moment was het slechts een tragische gebeurtenis. Ongeordende gedachten kolkten rond in zijn hoofd, als bij een bergrivier die dik van modder is, wanneer alle gletsjers tegelijk smelten.

‘In het geval dat ik voor ‘haar’ dood kies, vroeg A zich af, hoe zal dat dan gebeuren?’ God had het in zijn oneindige macht zo kunnen regelen dat de vrouw van A nooit was geboren. In plaats daarvan zou A een andere vrouw hebben ontmoet en getrouwd. Is het voorkomen dat een ongeboren persoon ooit geboren zal worden dan een moord? En als het om een levend persoon gaat? Als die persoon eenmaal is geboren en wij de tijd op een of andere manier terug draaien en we voorkomen dat deze persoon geboren wordt? Is dat moord?

A beschouwde zichzelf niet als een religieus persoon, noch als een atheïst. Hij geloofde niet meer in God sinds zijn veertiende, vanaf hetzelfde moment dat hij niet meer in Sinterklaas geloofde. Hij dacht ook nooit aan het verleden. Zijn kindertijd was verstreken zonder bijzondere gebeurtenissen, zonder traumatische ervaringen en zonder momenten van exaltatie. Het was nu voor het eerst dat zijn intellect een poging deed om antwoorden te zoeken op existentiële vragen. Waarom waren zijn gedachten over god in die tijd verdwenen? Waarom was het vanzelfsprekend dat god niet bestond, op het moment dat hij ontdekte dat Sinterklaas niet bestond? Dacht hij als kind dat het niet bestaan van Sinterklaas een te wrede daad van god was? Nee, dat niet. Hij wist dat in zijn kleurloze kinderjaren zo’n conclusie te veel voor zijn manier van denken zou betekenen. Het ontbrak hem niet aan intelligentie, maar de afwezigheid van elk innerlijk conflict en de milde, vreedzame buitenwereld hadden nooit van hem geëist dat hij zichzelf existentialistische vragen zou stellen. In de natuur is elke vorm van kennis het gevolg van lijden. De weg door de doolhof wordt niet gevonden zonder de angst voor het overlijden, zonder de honger. De honger leidt tot filosofie.

Laat als eerste een reactie achter

    Geef een reactie