JA21-Eerste Kamerlid Ruben Baumgarten en SGP-Tweede Kamerlid Chris Stoffer maken zich zorgen (EW 09 juni 2026). Nederland zou zich ten onrechte van Israël vervreemden, van wat zij de ‘enige stabiele democratische rechtsstaat’ in het Midden-Oosten noemen. Hun recept is simpel: minder sancties, meer kletsen. Want praten, zo luidt de gedachte, levert resultaten op. Onzin.
Neem nou de rechtsstaat. Politicoloog Dahlia Scheindlin laat in The Crooked Timber of Democracy in Israel zien dat de Israëlische democratie vanaf de eerste dag op wankele fundamenten stond. Steeds opnieuw moesten democratische idealen wijken voor één doel: een Joodse dominantie en meerderheid in het land.
Neem het ontwerp voor een onafhankelijkheidsverklaring van Hersch Lauterpacht. Dat wilde de nieuwe staat neerzetten als een republiek die zich zou binden aan het VN-Handvest, aan de rechtsmacht van het Internationaal Gerechtshof en aan toekomstige mensenrechtenverdragen. Het werd terzijde geschoven. Zelfs het woord ‘democratie’ sneuvelde.
Een grondwet kwam er ook nooit en dat was geen toeval. Want zwart op wit zou je dan de rechten van Palestijnse Arabieren moeten vastleggen, in een staat die zichzelf nu juist als Joods definieert. En in de bezette gebieden werden democratische principes helemaal opzijgezet, ten gunste van het veroveren van land en het verdrijven van mensen.
De juristen David Kretzmer en Yaël Ronen tonen in The Occupation of Justice aan dat zelfs het Israëlische Hooggerechtshof systematisch de meest problematische bezettingspraktijken heeft gelegitimeerd: nederzettingen, martelingen, landonteigening, deportaties, huisvernietigingen. Als het om bezetting gaat is Israël geen rechtsstaat, maar een regime dat het recht aan zijn laars lapt.
Kretzmer en Ronen suggereren dat latere rechters die oude uitspraken misschien in stand houden om oorlogsmisdadigers te beschermen. Als het hof huisvernietigingen of nederzettingen nú onrechtmatig zou verklaren, opent het de deur naar vervolging door het Internationaal Strafhof, van militairen, regeringsleden en rechters die die praktijken eerder hadden goedgekeurd. Liever houdt het hof dus fout recht overeind dan het risico te lopen op eigen aansprakelijkheid. Dat is het tegenovergestelde van een rechtsstaat.
Dan de tweede mythe: dat praten werkt. Palestina-supporters praten namelijk al sinds 1899 tegen een muur. Rashid Khalidi citeert in The Hundred Years’ War on Palestine een briefwisseling uit 1899 tussen Yusuf Diya al-Din Pasha al-Khalidi en Theodor Herzl. Yusuf Diya wees Herzl er op dat Palestina al bewoond was en dus niet gekoloniseerd kon worden. Herzl antwoordde doodleuk dat Europese Joden het land zouden koloniseren en de Arabieren rijk en gelukkig zouden maken.
Lorenzo Kamel citeert in Imperial Perceptions of Palestine de denker Hans Kohn, die uit de zionistische beweging stapte. Zijn verwijt: twaalf jaar lang waren de zionisten in Palestina zonder ooit serieus de instemming van de lokale bevolking te zoeken. Ze leunden volledig op de militaire macht van Groot-Brittannië, deden alsof de Arabieren niet bestonden en waren blij als niets hen aan dat bestaan herinnerde.
In de VN ging het niet anders. Ardi Imseis beschrijft in The United Nations and the Question of Palestine hoe Palestina-supporters bepleitten dat de lokale bevolking zelf over haar toekomst moest beslissen volgens het zelfbeschikkingsprincipe. De koloniale machten negeerden dat en steunden de verdeling, met als argument dat de Arabische meerderheid te primitief en achterlijk zou zijn om over superieure Joden te regeren.
Juist conflicten als dit horen thuis bij een rechter: twee partijen met tegengestelde belangen, rationele argumenten, luisteren, een oordeel. John Quigley beschrijft in The Legality of a Jewish State hoe Arabische landen in de jaren ’40 tevergeefs vragen aan het Internationaal Gerechtshof wilden voorleggen: waren de Balfour-verklaring en het mandaat legaal? Mocht de VN Palestina verdelen? Wie was de agressor in 1948? De Europese kolonisten lobbyden die vragen van tafel.
En toen de Palestijnen wél gehoord werden, kregen ze gelijk. Bij de adviesopinies van het Internationaal Gerechtshof in 2004 en 2024 oordeelde het hof beide keren in hun voordeel. In 2024 stelde het zelfs dat de Palestijnen recht hebben op een onafhankelijke staat in alle bezette gebieden en dat Israël de nederzettingen onmiddellijk moet slopen. Israël weigerde mee te doen.
Sinds 1899 proberen Palestina-supporters met respect en redelijkheid te overtuigen. Zonder resultaat. Israël breidt zijn grondgebied uit, verdrijft steeds meer mensen en legt zijn wil op met geweld en westerse politieke macht. De oplossing is dus niet méér gesprek.
Het Internationaal Gerechtshof zei in 2024 dat alle landen verplicht zijn ervoor te zorgen dat Israël het humanitair recht respecteert en dat de Palestijnen een onafhankelijke staat krijgen. En het hof ging verder: landen mogen geen verdragen of handel met Israël aangaan die de illegale bezetting bestendigen, geen diplomatieke erkenning geven aan zijn aanwezigheid in bezet gebied, en moeten handel en investeringen tegenhouden die die onwettige situatie in stand houden.
Als het om de illegale bezetting gaat, is Israël geen rechtsstaat. Praten heeft in meer dan honderd jaar niets opgeleverd. En Nederland is simpelweg verplicht om méér te doen dan met Netanyahu thee drinken.
Geredigeerd door Pascale Esveld
Alle hulde voor deze onthullende info!