Skip to content

De mythe van Camp David blijft de vrede gijzelen

In NRC van 13 augustus schreef Jessica V. Roitman dat de Palestijnen in 2000 een historische kans op een eigen staat kregen maar die halsstarrig afwezen. Premier Ehud Barak zou bijna de hele Westelijke Jordaanoever en Gaza hebben aangeboden, waarna Yasser Arafat opstapte en de tweede intifada ontketende. Daarmee herhaalt zij een hardnekkige mythe: dat de Palestijnen telkens kansen op een staat hebben laten liggen. In werkelijkheid is dit zowel een leugen als een drogreden.

Zelfs wanneer het waar zou zijn dat Arafat een genereus aanbod weigerde, tast dat de rechten van de Palestijnen niet aan. Stel dat een straatrover uw bezit afpakt. U eist 22 procent terug. De rover biedt aan om bijna al die 22 procent terug te geven. U weigert omdat u recht hebt op de volle 22 procent. Wordt de rover daardoor ineens eigenaar? Natuurlijk niet. Rechten verdwijnen niet omdat iemand weigert genoegen te nemen met minder dan waar hij recht op heeft. Daarom is het irrelevant of de Palestijnen het aanbod van Barak accepteerden.

Wie de documenten en getuigenissen van de onderhandelaars uit 2000 naleest, ziet bovendien dat Barak geen levensvatbare staat aanbood, schrijft Jerome Slater in het boek “Mythologies Without End.” Barak weigerde zijn voorstellen op papier te zetten en sprak over een Palestijnse “entiteit”, niet over een soevereine staat. Zijn plan hield in dat Israël illegale nederzettingen op de Westoever zou annexeren, inclusief de belangrijkste waterreserves. Wat resteerde voor de Palestijnen waren versnipperde enclaves, verbonden door wegen die Israël zou controleren. Ook Oost-Jeruzalem zou grotendeels Israëlisch blijven en de Palestijnse hoofdstad zou buiten de stadsmuren in Abu Dis komen te liggen. Voor de heilige plaatsen eiste Barak formele Israëlische soevereiniteit.

Het frame dat de Palestijnen een kans hebben gemist werd vooral na afloop geconstrueerd. Barak presenteerde zijn voorstel als ongekend genereus. President Clinton en zijn bemiddelaars schaarden zich achter die lezing. Westerse media namen haar gretig over. Zo ontstond het beeld dat Arafat het probleem was en dat Israël er alles aan gedaan had. Die interpretatie negeerde niet alleen de inhoud van het aanbod maar ook de bereidheid van Palestijnse onderhandelaars om compromissen te sluiten. Zij waren bereid tot territoriale ruil en zelfs tot het accepteren van Joodse wijken in Oost-Jeruzalem. Zij vroegen vooral erkenning van Israëls rol in de vluchtelingenkwestie en een symbolische oplossing. Israël weigerde elke verantwoordelijkheid.

Zelfs Baraks eigen minister van Buitenlandse Zaken, Shlomo Ben-Ami, gaf later toe: “Camp David was geen gemiste kans voor de Palestijnen, en als ik een Palestijn was geweest, zou ik Camp David ook hebben afgewezen.” De Amerikaanse bemiddelaar Robert Malley noemde het “onjuist en gevaarlijk” om de schuld bij Arafat te leggen. De Israëlische onderhandelaar Ron Pundak was het met deze analyse eens: “De conclusie is simpel: als de volledige implementatie van VN-Veiligheidsraadresolutie 242 de eerlijke basis is voor een overeenkomst over een permanente status, dan was Israëls territoriale voorstel in Camp David helemaal niet genereus. Alleen een Israëlisch aanbod van 100 procent [van de Westelijke Jordaanoever en Gaza] had als echt genereus kunnen worden beschouwd.”

In 2024 bevestigde het Internationaal Gerechtshof dat de Palestijnen recht hebben op een onafhankelijke staat in de volledige bezette gebieden en dat Israël de nederzettingen onmiddellijk moet ontmantelen. Sinds 2002 hebben 57 Arabische landen Israël volledige diplomatieke betrekkingen aangeboden in ruil voor terugtrekking tot de grenzen van 1967 en de oprichting van een Palestijnse staat in Gaza, op de Westoever en in Oost-Jeruzalem. Dit voorstel wordt regelmatig herhaald, ook tijdens de VN-vergadering van 2024. Het is veel redelijker dan wat Barak in 2000 bood. Het sluit aan bij het internationaal recht en bij de concessie die de Palestijnen al in 1988 deden door slechts 22 procent van hun land te claimen.

Israël wijst dit voorstel al meer dan twintig jaar af. In plaats daarvan kiest het voor een verdeel en heers strategie. Via de Abraham-akkoorden koopt het normalisatie met individuele staten die de Palestijnse zaak laten vallen, terwijl het de bezetting verder uitbouwt. Het feit dat Israël wel vrede wil met verre Arabische hoofdsteden maar niet met zijn directe buren toont dat het niet gaat om veiligheid maar om grond en macht. Israël wil zoveel mogelijk gebied behouden en zoveel mogelijk Palestijnen verdrijven. Zoals David Ben-Gurion ooit zei: “Onze beweging is maximalistisch. Zelfs heel Palestina is niet ons einddoel.” Daarom zoekt Israël vrede zonder Palestina en daarom blijft het Camp David-frame zo nuttig: het biedt de kans om tijd te rekken.

Ruim twintig jaar na de top in Camp David is de mythe van de “gemiste kans” een obstakel voor elke toekomst. De waarheid is dat Israël nooit bereid is geweest tot een echte Palestijnse staat en dat de Palestijnen herhaaldelijk compromissen boden. De Westbank is praktisch geannexeerd. Door drogredenen zoals die van Roitman heeft het Parlement vrijdag een motie om de Palestijnse staat te erkennen, weggestemd.Motie van het lid Ouwehand c.s. over erkenning van de Palestijnse Staat


Geredigeerd door Pascale Esveld
Published inSofist Factory

Be First to Comment

    Leave a Reply