De Taskforce Antisemitismebestrijding stelt in haar rapport Gevangen in vrijheden dat ontkenning van het recht op zelfbeschikking voor Joden antisemitisch is. Dit standpunt verdient kritische toetsing aan het volkenrecht — niet uit vijandigheid jegens Joden, maar uit zorg om de juridische zuiverheid van het debat. Deze formulering introduceert een problematische premisse. Zij suggereert dat het ontkennen van een territoriaal recht op Palestina voor Joden per definitie antisemitisch is. In het publieke debat wordt deze redenering geregeld gebruikt om politieke en juridische kritiek op het zionisme of op de totstandkoming van Israël te diskwalificeren.
Zo schreef columnist Aad Kamsteeg: ‘Zoals alle volken graag zelfbestuur in een eigen land willen, geldt dit zeker voor de eeuwenlang vervolgde Joden. Waar zouden zij dat zelfbeschikkingsrecht anders kunnen uitoefenen dan in het land waaruit zij door de Romeinen werden verdreven?’
Ook de Israëlische Natiestaat-wet zegt het volgende: ‘De staat Israël is het nationale thuis van het Joodse volk, waarin zij haar natuurlijke, culturele, religieuze en historische recht op zelfbeschikking vervult. Het recht om nationale zelfbeschikking uit te oefenen in de staat Israël is uniek voor het Joodse volk.’ Met een beroep op dit exclusief opgevatte zelfbeschikkingsrecht worden wetten gelegitimeerd die Palestijnse burgers van Israël belemmeren om met buitenlanders te trouwen en beleid dat is gericht op het terugdringen van het aantal Palestijnen in bepaalde gebieden.
Het zelfbeschikkingsrecht betekent in het volkenrecht dat het volk een absoluut beslissingsrecht heeft over een territorium. Stel je voor dat alle Joden uit Israël emigreren en dat de resterende bevolkingsgroepen zouden willen beslissen om een deel van het territorium af te staan voor een onafhankelijke Druzische staat. Dan zou mevrouw Esther Voet uit Wassenaar, die zich tot het jodendom heeft bekeerd, een vetorecht over deze beslissing hebben.
Met de stelling dat de Joden het zelfbeschikkingsrecht hebben kan men alle wetenschappelijke werken over de legaliteit van het ontstaan van Israël ter discussie stellen. John Quigley analyseert in ‘The Legality of a Jewish State’ uitvoerig de juridische problemen rond de totstandkoming van Israël. Dergelijk onderzoek wordt door het frame van de taskforce bij voorbaat als verdacht bestempeld.
In het volkenrecht is het begrip ‘volk’ territoriaal verankerd. Thomas Weatherall zet in ‘The Right to Self-Determination in International Law’ uiteen dat er geen formele definitie van een volk bestaat. De meest werkbare opvatting beschouwt een volk als de bevolking van een territoriaal gedefinieerde entiteit, zoals een staat of kolonie. Dit vermijdt bewust etnische of religieuze definities en koppelt het recht op zelfbeschikking aan bestaande territoriale eenheden, niet aan verspreide identiteitsgroepen.
Daaruit volgt dat het internationaal recht geen algemeen recht kent voor diaspora-groepen om een territorium elders op te eisen op basis van historische of religieuze banden. Stel je voor dat de Roma uit Nederland 2000 jaar geleden verdreven zouden zijn. Zouden we nu de koffers inpakken en het land inleveren? Nee. Of zouden we de Roma onze bazen maken? Nee. Er zijn ten minste 650 etnische groepen en toch wordt de wereld niet in 650 landen herverdeeld.
Daarom betekent het woord ‘volk’ in het volkenrecht de gehele bevolking van een territorium, inclusief minderheden. Mauritius illustreert dit principe perfect. Volkenkundig bestaat het eiland uit meerdere volkeren, zoals creolen uit Oost-Afrika, Indiërs, Chinezen, Britten en Fransen. Maar voor volkenrecht is er slechts één volk: het Mauritiaanse volk. Toen de Québécois zich van Canada wilden afscheiden heeft het Canadese Hooggerechtshof bevestigd dat er geen recht op een onafhankelijke staat bestaat voor minderheden die reeds binnen een staat leven.
Zo zijn de Joden in Israël geen apart volkenrechtelijk volk, maar onderdeel van ‘het Israëlische volk’, samen met Palestijnen (moslims of christenen), Druzen en andere minderheden. Deze juridische werkelijkheid botst met de etnisch-religieuze definitie die de taskforce hanteert.
Het zelfbeschikkingsrecht heeft zich bovendien pas na 1945 ontwikkeld tot een juridisch afdwingbaar recht. Het werd in de jaren zestig en zeventig gecodificeerd in VN-resoluties en mensenrechtenverdragen. Joden konden zich vóór 1948 niet beroepen op het recht op zelfbeschikking om Palestijnen van hun territorium te onteigenen omdat dit recht destijds nog niet bestond.
Wanneer in het rapport wordt gesteld dat ontkenning van een specifiek Joods territoriaal zelfbeschikkingsrecht antisemitisch zou zijn wordt daarmee impliciet een juridische interpretatie gepresenteerd die in het internationaal recht niet wordt gedragen. Dit verspreidt bovendien een frame dat door Israël-supporters wordt gebruikt om de onteigening van de Palestijnen en Israëlische claims op de bezette gebieden te legitimeren.
De taskforce doet hiermee precies wat zij beweert te bestrijden: zij vergiftigt het debat. Door legitieme juridische kritiek te framen als antisemitisme maakt zij rationele discussie onmogelijk. Antisemitisme bestrijden is essentieel maar dat mag niet ten koste gaan van intellectuele eerlijkheid en respect voor het internationaal recht.

Instemmende groet,
“Daarom betekent het woord ‘volk’ in het volkenrecht de gehele bevolking van een territorium, inclusief minderheden.”
Je noemt Mauritius en het multi-etnische volk, de Mauritianen, als voorbeeld.
Nederlanders wier (groot)ouders naar Canada of elders waren geëmigreerd, horen nu bij het Canadese etc volk en niet meer bij het Nederlandse volk.
Tweedegraads etc Turken, Marokkanen etc. horen nu bij het Nederlands volk.
Het is goed dat iedereen dit beseft.
Er bestaat geen zelfstandig ‘natuurlijk, cultureel religieus en historisch recht op zelfbeschikking’, alleen territoriaal recht eventueel in combinatie met (en versterkt door) genoemde identiteiten.