Sla over naar de inhoud

Rechter Cançado Trindade smokkelt individuen het Vredespaleis in

Antônio Augusto Cançado Trindade is mijn nieuwe superheld. In zijn dissenting opinion in de rechtszaak Germany v. Italy heeft hij de Keizer in zijn blote schoonheid beschreven. Hij legde één van de slechte erfenissen in International Recht (IR) bloot: de staatsimmuniteit. Staatsimmuniteit lijkt op het eerste gezicht een onpartijdige regel, maar zoals andere IR-regels, uiteindelijk trekt hij de machtigen voor en schept onrecht voor individuen. Antônio is een van de rechters die zich daartegen verzet, zwemmend tegen de stroom in.

Jurisdictional Immunities of the State (Germany v. Italy: Greece intervening)

Waar gaat deze rechtszaak over? Duitsland is in de WWII een beetje stout geweest, gewoon hele dorpen uitgeroeid, miljoenen mensen voor dwangarbeid naar Duitsland vervoerd etc. Onder andere in Italië en Griekenland, maar ik zal slechts het Italiaanse aspect van het conflict beschouwen.

Luigi Ferrini wordt naar Duitsland gedeporteerd waar hij dwangarbeid in de oorlogsindustrie moet verrichten. In 1998 klaagt hij Duitsland aan in de Italiaanse rechtbanken. Hij wint. Tot aan het hooggerechtshof toe. Vele anderen volgen zijn voorbeeld en Italië begint de Duitse villa’s te verkopen om de schadeclaims te betalen.

Duitsland stapt naar Het Internationaal Gerechtshof (ICJ) en wint op 3 februari 2012. De meerderheid van de rechters stelt vast dat Duitsland van staatsimmuniteit geniet en niet in Italiaanse rechtbanken aangeklaagd kan worden.

Staatsimmuniteit

Laat ik maar een stuk uit een boek citeren:

“Het beginsel van staatsimmuniteit vloeit direct voort uit de soevereine gelijkheid van staten. Het zou in strijd zijn met de soevereine gelijkheid indien een staat een andere staat onderwerpt aan zijn rechtsprekende of handhavende rechtsmacht. Dit wordt wel uitgedrukt in het Latijnse par in parem non habet imperium: gelijken hebben geen gezag over elkaar…De belangrijkste manifestatie van het beginsel van staatsimmuniteit is dat een nationale rechter in beginsel geen rechtsmacht kan uitoefenen over een andere staat. Indien een particulier in staat A een civiele procedure voert tegen staat B, dient de rechter van staat A in beginsel vast te stellen dat staat B immuniteit toekomt en dat hij om die reden onbevoegd is.”1

Met andere woorden de Italiaanse rechter had tegen Ferrini moeten zeggen: “Vette pech voor jou, maar ik ben onbevoegd om over Duitsland te oordelen. Daaag.”

Er zijn uitzonderingen voor privé en economische handelingen (acta iure gestionis). Maar niet voor handelingen die met het publieke gezag van een staat te maken hebben (acta iure imperii). Dus je kunt in theorie een staat voor een parkeerbon aanklagen, maar niet voor het uitroeien van een dorp.

Een beetje lollig

Soevereiniteit betekent absolute macht hebben over een territorium, en de macht om wetten uit te schrijven en te handhaven. Maar als staat heb je niet meer 100% soevereiniteit als een andere staat je rechten komt schenden, dus als een staat komt moorden, martelen en verkrachten op je territorium. Omdat de staten gelijk zijn. Dus de slechterik mag niet beperkt worden in zijn vrijheid, maar het slachtoffer moet zijn vrijheid opgeven en alles slikken.

Laten we een analogie maken. Stel je voor dat je me in je huis ontdekt, waar jij de ultieme baas bent, terwijl ik mijn boodschappentas met je juwelen vul. Omdat we gelijk zijn, heb jij geen vrijheid om mijn vrijheid te beperken en mij voor een rechter te slepen. Logisch toch?

Tegenmaatregelen

Ik heb gelogen. Een slachtoffer-staat mag volgens IR tegenmaatregelen nemen. Het confisqueren van de Duitse villa’s was een tegenmaatregel omdat Duitsland geen schadeclaims wilde betalen. Om terug te komen op onze analogie, je mag me niet voor de rechter slepen, want dat beperkt mijn vrijheid, maar je zou wel vrij zijn om mij naakt te strippen; en dat zou mijn vrijheid miraculeus NIET beperken. En als ik het oneens ben met het ontkleden en ik geloof oprecht dat de juwelen van mij zijn, mag ik je niet voor een rechter slepen om je te stoppen, want dat zou je vrijheid beperken; maar ik mag tegen-tegenmaatregelen nemen, bijvoorbeeld door je tafelzilver ook in te laden.

Je snapt dat met zulke regels de machtige en rijkere staten altijd een langere adem hebben.

Wat doe je als je uitgeroeid bent?

Wat kan je als individu doen als een staat je iets aandoet? Niks. Volgens IR heb je in een dergelijk geval twee opties.

Ten eerste mag je wel een staat in zijn eigen rechtbanken aanklagen. Dus de Italianen moesten in Duitsland procederen. Maar dat werkte niet, want volgens de Duitse wetten kon dat niet. En daar zijn meer voorbeelden van. Bijvoorbeeld de Duitser Khalid El-Masri was door de CIA ontvoerd, naar Afghanistan gevlogen, verkracht en voor maanden gemarteld. Toen heeft de CIA ontdekt dat El-Masri een heel andere El-Masri was dan de gezochte. Dus ze hebben onze El-Masri alweer in Macedonië gedumpt. El-Masri heeft eindeloos in Amerikaanse rechtbanken geprocedeerd, maar dat ging niet zo goed: immers Amerika is een democratie. En in een democratie bestaat er een scheiding der machten. Rechters mogen daardoor geen oordeel geven over de buitenlandse politiek, noch over de oorlogsbeslissingen. Dat heet The Political Question Doctrine. Ook andere principes van het Amerikaanse recht maken een rechtszaak van een buitenlander tegen de Amerikaanse staat vrijwel onmogelijk in gevallen van schending van IR.

Ten tweede mag je vaderland voor je opkomen. Maar dat komt niet altijd voor. Duitsland kwam niet voor El-Masri op. Groot-Brittannië liet de gemartelde Al-Adsani in de steek, omdat GB olie van Koeweit wil en veel wapens aan dat land verkoopt. En de Arabische dictaturen komen niet voor de mensen in Guantánamo op, want de tirannen in die landen worden door de V.S. in het zadel gehouden.

Dus wat kan je als individu doen als je eigen land geen reet om je geeft, en je ook niet de mogelijkheid hebt te procederen in het land dat je mensenrechten schendt? Niks.

De revolte van de rechters

Sommige rechters verzetten zich tegen deze toestanden in het IR. Een aantal van de ICJ rechters heeft gepleit dat individuen staten in internationale rechtbanken zouden moeten kunnen aanklagen. Dat was ook de stelling van mijn masterscriptie: dat individuen staten moeten kunnen aanklagen in internationale rechtbanken, de bestaande of nieuwe nog te bouwen, bijvoorbeeld mensenrechtenhoven. Voorbeelden van ICJ-rechters die zoals ik denken zijn: Taslim Olawale Elias, Humphrey Waldock, Thomas Buergenthal, Hersch Lauterpacht en Dame Rosalyn Higgins.

Hersch Lauterpacht schreef een dik boek waarin hij pleitte voor een Internationaal Hof voor de Rechten van de Mens, waar alle individuen alle staten zouden kunnen aanklagen. Hij was niet erg gecharmeerd van het IR zoals het nu is: “Once the cobwebs of that antiquated theory have been swept aside, the procedural incapacity of individuals is deprived of its logical foundation.”2 Zijn idee was niet nieuw: Lauterpacht was eerst sceptisch maar daarna bekeerd door een Australisch voorstel. Het Australische voorstel was afgekeurd door de veto-nomenklatoera: de Sovjets, Amerikanen, Britten en Fransen.

Dame Rosalyn Higgins schreef ook dat de principes van International Recht helemaal niet uitsluiten dat individuen staten in internationale rechtbanken zouden mogen aanklagen:

“Power, to be sure, rests still to a substantial degree with sovereign states: it is within their power, for the moment, to block the access of the individual to certain international tribunals …. But the very notion of international law is not predicated upon this assumption, and the international legal system survives conceptually even were this to change. Additionally, these assumptions about access to international tribunals and force are in fact changing rapidly, with significant consequences in the delicate balance between the state and the individual.”3

De dappere Antônio

Maar deze rechters hebben deze dingen slechts gezegd toen ze geen ICJ-rechter (meer) waren. Anders zouden ze zich en het ICJ belachelijk maken, en niet herkozen worden. Antônio is nu de allereerste opstandeling in dienst, terwijl hij net in zijn functie is benoemd.

Hij was eerst president van het Inter-Amerikaanse Hof voor de Mensenrechten (CIDH). Daar lukte hem regelmatig om staten in hun soevereine ego te krenken. Bijvoorbeeld verschillende Zuid-Amerikaanse junta’s dachten zichzelf amnestie te mogen verlenen, na vele jaren van moorden, verdwijningen, folteringen en andere Zorreguieta-praktijken. Maar CIDH verklaarde deze amnestiewetten rechts-ongeldig, een regelrechte dolk in rug van het huidige Internationaal Recht: want soevereiniteit betekent dat je als staat thuis de broek draagt. Exclusief.

Antônio verzet zich tegen de slechte regels in IR. Deze regels beschadigen mensen van vlees en bloed om onverdiende voordelen aan fictieve constructies te geven: de staten.

In de rechtszaak Germany v. Italy heeft hij ook tegen de meerderheid gestemd en een eigen dissenting opinion geschreven. Hij riep om de staats-centrische visie op IR naar de prullenbak te verwijzen: “State immunities has nowadays to be reassessed in the light of fundamental human values.” Hij concludeert dat dit al het geval is: “contemporary international legal doctrine,[…], gradually resolves the tension between State immunity and the right of access to justice rightly in favour of the latter, particularly in cases of international crimes.”

Mensen zijn volgens hem de ultieme dragers van rechten en staten kunnen dat niet zomaar naast zich neerleggen. Staten kunnen geen afstand doen van onze mensenrechten in hun relatie met andere staten, zoals Duitsland deed met El-Masri en GB met Al-Adsani. Want het zijn onze rechten en niet de rechten van onze staat; en niemand kan de rechten van een ander weggeven. Als staten onze rechten opgeven dan schenden ze de allerhoogste normen van IR, de jus cogens normen.

Duitsland beargumenteerde dat de naoorlogse vredesverdragen alle claims hadden opgelost, dus dat de individuele rechtszaken tegen Duitsland Internationaal Recht zouden destabiliseren. Bovendien zou men het algemeen belang beschadigen en mensenrechten kunnen dat belang niet overtreffen. Toen brak Antônio’s klomp:

“In my understanding, what jeopardizes or destabilizes the international legal order, are the international crimes, and not the individual suits for reparation in the search for justice. In my perception, what troubles the international legal order, are the cover-up of such international crimes accompanied by the impunity of the perpetrators, and not the victims’ search for justice. When a State pursues a criminal policy of murdering segments of its own population, and of the population of other States, it cannot, later on, place itself behind the shield of sovereign immunities, as these latter were never conceived for that purpose. Grave breaches of human rights and of international humanitarian law, amounting to international crimes, are not at all acts jure imperii. They are anti-juridical acts, they are breaches of jus cogens, that cannot simply be removed or thrown into oblivion by reliance on State immunity. This would block the access to justice, and impose impunity. It is, in fact, the opposite [that] should take place: breaches of jus cogens bring about the removal of claims of State immunity, so that justice can be done.”

Maar laten we een kleine tijdsreis maken. In 1920 maakte Duitsland een voorstel voor het statuut van het Het Permanent Hof van Internationale Justitie, de voorganger van ICJ. In dit voorstel riep Duitsland op om niet alleen staten tot het hof toegang te geven, maar het moest ook het volgende behandelen: “Complaints of private persons against foreign States and heads of States, when the State tribunals have declared their incompetency.”4 Dus, Antônio gaf Duitsland wat ze altijd wilde: de kans om door individuen buiten haar eigen lebensraum te worden aangeklaagd.

In conclusie

Antônio vindt dat het individuele recht tot toegang tot een rechtbank voorrang moet hebben op alle rechten en immuniteit van een staat. Tenminste in gevallen van grove schendingen van mensenrechten en humanitair recht. De meerderheid van de ICJ-rechters heeft anders besloten en Professor Andrea Bianchi beweerde in een blog dat 100% van de juristen het met het ICJ eens zullen zijn. De meerderheid heeft het alweer mis.


[1] P.A. Nollkaemper. Kern van het internationaal publiekrecht. 3de ed: Den Haag : Boom Juridische uitgevers, 2007: p.84.
[2] H. Lauterpacht, International law and human rights. Archon Books, 1968, p.57.
[3] R. Higgins, ‘Conceptual Thinking about the Individual in International Law,’ 24 N. Y. L. Sch. L. Rev. 11 (1978): p.15.
[4] Advisory Committee of Jurists, Documents presented to the Committee relating to existing plans for the establishment of a permanent court of international justice. The Hague: 1920, p.29.

Published inBeste BlogsInternationaal RechtRechtbank voor Allen

3 Comments

  1. Ik moest even “dissenting opinion” opzoeken en sindsdien is Antônio Augusto Cançado Trindade ook mijn held. Heeft het een redelijke kans van slagen denk je?

  2. Mihai Mihai

    @Reggie

    Een rechter schrijft een “dissenting opinion” als hij het oneens is met de beslissing van de meerderheid. Dat verandert niks aan de beslissing. Duitsland heeft nog steeds gewonnen. Alleen zijn “dissenting opinion” geeft aan dat men zijn bek niet meer dicht houdt. En dat is al een grote verandering.

  3. Dus we hebben iemand met ruggengraat nodig die het weet tot president of premier te schoppen, de macht naar zich toe trekt, die het ook nog eens overleefd, om deze wet..ach laat ook maar. Dat overleefd niemand, teveel voorbeelden van in de geschiedenis. Dan toch maar op de messias wachten, groter kans van slagen. Maar Trindade alsnog bedankt!

Geef een reactie