Skip to content

Het ICJ is niet antisemitisch — Don Ceder is slecht geïnformeerd

In mijn vorige stuk liet ik zien hoe media vol met onzin van de Israël-lobby het publiek én de wetgever bespelen. In een debat beweerde Don Ceder doodleuk dat de adviesopinies van het Internationaal Gerechtshof niet bindend zijn. Vandaag pak ik een tweede voorbeeld uit hetzelfde debat erbij: het ICJ zou antisemitisch zijn, omdat het besliste op basis van een eenzijdige vraag. Hij leunde daarbij op de Vice-President van het Hof: “Volgens de Vice-President van het hof deugde de vraagstelling al niet. Zij noemt die eenzijdig, en noemt ook de inbrengen van deelnemers aan de zaak eenzijdig.”

Klinkt overtuigend, toch? Maar laten we het eens tegen het licht houden.

Nederland en het ICJ zaten op één lijn

Was de uitspraak antisemitisch? De uitspraak kwam nadat Nederland zijn verklaring had ingediend. Daarin legde Nederland uit hoe het internationaal recht er volgens Den Haag uitziet. Ik was benieuwd hoeveel daarvan terugkwam in de uiteindelijke uitspraak, dus ik vroeg het ChatGPT na te lopen. Het Hof deed 52 beweringen waarvan 37 overeenkwamen met Nederlandse beweringen: 71,2 procent. Geen enkele bewering van het Hof was in tegenspraak met Nederland. Als men ook de uitspraken meetelt die niet letterlijk hetzelfde zijn, maar wel in de buurt komen van de Nederlandse juridische lijn, dan gaat het om 48 van de 52: 92,3 procent.

Het Hof ging minder ver dan Nederland

Dat het geen honderd procent is, komt vooral omdat het Hof milder was dan Nederland. Nederland zei bijvoorbeeld óók dat volkeren onder koloniale overheersing, apartheid of buitenlandse bezetting mogen strijden “met alle beschikbare middelen, inclusief gewapende strijd.” En dat nederzettingen in bezet gebied oorlogsmisdaden zijn. Het Hof ging daar niet eens zo ver in mee.

Dus wie is hier dan antisemitisch?

Nu ontstaat er een simpel dilemma. Als het ICJ vrijwel identieke uitspraken deed als Nederland, dan volgt daaruit één van twee dingen: óf Nederland is een jodenhatende natie, óf het ICJ paste het volkenrecht toe zoals het is. Meer smaken zijn er niet.

Geen dubbele standaard voor Israël

Is Nederland dan antisemitisch? Nee, en daar zijn twee harde redenen voor.

Ten eerste was de Nederlandse getuigenis op de relevante punten identiek aan wat Nederland eerder verklaarde in de adviesopinie over Chagos. Met andere woorden: Nederland hanteerde geen aparte, strengere lat voor Israël. Geen dubbele standaard, gewoon dezelfde juridische lijn.

Rutte keek al door de bril van het CIDI

Ten tweede — en dit is bijna komisch — stond de toenmalige premier Mark Rutte juist bekend als uitgesproken pro-Israël. In 2010 sprak Rutte, samen met Ernst Hirsch Ballin, Onno Hoes, Jaap de Hoop Scheffer en Maxime Verhagen, op een symposium van het CIDI over zijn “zeer goede vriend” John Manheim. Manheim was jarenlang voorzitter van de buitenlandcommissie van de VVD en 24 jaar betrokken bij het CIDI, als bestuurslid en later als voorzitter. Rutte vertelde over hun reis naar Israël, waar hij dezelfde propagandatour volgde die het CIDI voor politici, journalisten en anderen organiseert. En die reis werkte. In Rutte’s eigen woorden: “Dankzij jou heb ik ook met die bril naar Israël kunnen kijken… en als ik door jouw ogen naar Israël kijk, dan is dat land in de eerste plaats een democratische staat, de enige echt democratische staat in die hele regio. Israël heeft bovendien te maken met buren die het land bijna zonder uitzondering geen goeds wensen.” Dat leest als een knip-en-plakwerk uit de propagandahandboeken van de lobby.

En volgens Peter Malcontent in zijn boek “Een open zenuw” kwam er binnen de VVD geen standpunt over het conflict naar buiten zonder Manheims goedkeuring. Kortom: dit was geen kabinet dat Israël een kwaad hart toedroeg. Toch kwam Nederland tot dezelfde conclusies als het Hof.

De mythe van de eenzijdige vraag

Was de vraag aan het ICJ dan bevooroordeeld?

Kijk zelf. De Algemene Vergadering vroeg naar de “legal consequences arising from the ongoing violation by Israel of the right of the Palestinian people to self-determination,” en naar de gevolgen van de bezetting, de nederzettingen en de annexatie sinds 1967.

De vraag bouwde voort op rechtspraak uit 2004

Op het eerste gezicht suggereert dat woord “violation” inderdaad iets dat nog niet bewezen zou zijn — een beladen vraag dus. Zoals een patiënt die vraagt “welke pillen moet ik slikken?” ervan uitgaat dat hij ziek is. Maar dat is géén beladen vraag als de assistente hem diezelfde ochtend de slechte bloeduitslagen heeft laten zien. En precies dat is hier het geval: het ICJ oordeelde al in 2004 dat Israël het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen schendt. Die juridische waarheid mochten de landen dus gewoon veronderstellen.

Het Hof mocht de vraag zelf beoordelen

Maar stel, het wás een beladen vraag. Dan nóg is het Hof niet verplicht de aanname klakkeloos over te nemen. Het Hof zei het zelf: onduidelijkheid in de formulering ontneemt het Hof geen rechtsmacht en het Hof mag vragen zelf uitleggen en herformuleren. Sterker nog:

“It has been argued by some participants that the questions put to the Court have been presented in a biased manner in that they assume the existence of violations of international law by Israel. These participants therefore contend that the Court should decline to answer them. Other participants have contested the characterization of the questions as biased or imbalanced.

The Court recalls, in the first instance, that it has the power to interpret and, where necessary, reformulate the questions put to it. It is therefore for the Court to appreciate and assess the appropriateness of the formulation of the questions. The Court may also, where necessary, determine for itself the scope and the meaning of the questions put to it. In the present case, the Court does not consider that the General Assembly intended to restrict the Court’s freedom to determine these issues. The Court will ascertain for itself whether Israel’s policies and practices are in violation of the applicable rules and principles of international law, before determining the legal consequences of any such violations.”

Met andere woorden: als men het ICJ vraagt wat de juridische gevolgen zijn van het feit dat 1+1=5 hoeft het Hof niet te antwoorden alsof één plus één inderdaad vijf is. Het kan gewoon zeggen: één plus één is twee. Een beladen vraag bindt het Hof dus niet aan een onjuiste premisse.

Opinio juris: staten maken mede het recht

Er is nog een derde reden waarom zo’n vraag niet zomaar verdacht is. Volkenrecht ontstaat niet alleen via verdragen, maar ook via gedrag van staten. Daarbij telt niet alleen wat staten doen, maar ook waarom zij denken dat zij het moeten doen of moeten laten. Die juridische overtuiging heet opinio juris. Als de Algemene Vergadering een vraag stelt met een bepaalde juridische veronderstelling, zegt dat ook iets over de opinio juris van de meerderheid van staten. En juist die opinio juris moet het ICJ vaak beoordelen om tot een beslissing te komen.

Zo zien we weer hoe parlementariërs zonder kennis van het volkenrecht zich door de Israël-lobby laten ringeloren.

 


Geredigeerd door Pascale Esveld
Published inInternationaal Recht

Be First to Comment

    Leave a Reply