Ik pleegde mijn eerste misdaad toen ik zes was. De speelgoedwinkels waren leeg of gevuld met onbruikbaar speelgoed onder de communistische dictator Ceausescu. Een buurman werkte in Duitsland en de kinderen van gastarbeiders kregen vaak wonderlijk speelgoed mee. Zijn zoon had een metalen autootje van tien centimeter en ik begeerde het. Daarom nodigde ik hem uit om in onze keuken te spelen. En ging met mijn rug naar de koelkast zitten. Na een paar keer dat hij het autootje naar mij toe duwde liet ik het onder de koelkast verdwijnen. Ik schilderde het autootje zilver zodat het onherkenbaar leek en ik verzon dagenlang smoezen waarom teruggeven niet kon.
Aan dat voorval moet ik denken bij opiniestukken van Israël-supporters zoals dat van Jessica V. Roitman in NRC van 14 augustus 2025. Al 58 jaar verzinnen ze telkens nieuwe drogredenen waarom de Palestijnse staat moet wachten. Terwijl het publiek naar lege woorden loert verdwijnt het autootje opnieuw onder de koelkast. Israël bouwt steeds meer nederzettingen en Palestijnen verliezen steeds meer grond. In feite is de Westelijke Jordaanoever geannexeerd. Op 23 juli verklaarde de Knesset het vermeende recht van de staat op de bezette gebieden om soevereiniteit over nederzettingen in Area C te bereiken. Civiele ministeries hebben de militaire administratie vervangen, bevoegdheden en budgetten zijn herschikt en Israëlische infrastructuur en wetgeving worden toegepast op nederzettingen.
“Een staat moet worden verdiend, en zover zijn de Palestijnen nog niet,” schrijft Roitman. Die redenering klinkt als de Conferentie van Berlijn uit 1884 waar Europese machten dachten het wereldbezit te mogen verdelen. Die koloniale logica zet volkerenrechten opzij. Het recht op zelfbeschikking is geen gunst. Derden zijn niet bevoegd om te beslissen of een volk dit recht mag uitoefenen. Er valt alleen te erkennen dat het recht bestaat en te handelen naar de plichten die dat recht oproept.
In 2024 bracht het Internationaal Gerechtshof een gezaghebbend advies uit over Israëls handelen in de bezette Palestijnse gebieden. Het Hof stelde vast dat Israël het verbod op geweld en het bezettingsrecht schendt, evenals mensenrechten waaronder het verbod op discriminatie en het recht op zelfbeschikking. De bezetting is daardoor illegaal. Het Hof verklaarde het zelfbeschikkingsrecht een jus cogens norm. Jus cogens-normen (ook wel dwingende normen van internationaal recht) zijn fundamentele rechtsprincipes die zó essentieel zijn voor de internationale rechtsorde, dat geen enkele staat hiervan mag afwijken. Ze gelden voor alle staten, ongeacht hun instemming.
Het Hof maat Israël zo snel mogelijk een einde te maken aan de bezetting, onmiddellijk te stoppen met uitbreiding van nederzettingen en alle kolonisten te evacueren. Zij moet bovendien rechtsherstel bieden voor de schade. Andere staten mogen de illegale situatie niet erkennen of steunen en moeten naleving van het humanitair oorlogsrecht verzekeren. Dat betekent dat Nederland verplicht is om te zorgen dat Israël geen nederzettingen bouwt.
Staten moeten in hun omgang met Israël onderscheid maken tussen Israëlisch grondgebied en bezet gebied. Geen verdragen, handel of diplomatie toestaan die de bezetting legitimeren. Voorkomen van handel of investeringen die de illegale situatie voeden. Dit zijn concrete instructies aan derde landen, geen vrijblijvende adviezen.
Het Hof bevestigde dat de Palestijnen het recht hebben op een onafhankelijke staat binnen de volledige bezette gebieden. Ook de Adviesraad Internationale Vraagstukken adviseerde in 2024 om de Palestijnse staat zo spoedig mogelijk te erkennen. Wie zegt dat een staat moet worden verdiend miskent de aard van het recht.
Nederland heeft deze normen zelf bevestigd. In zijn getuigenis aan het Hof noemde het recht op zelfbeschikking permanent, universeel en van dwingend recht (jus cogens), evenals het geweldsverbod dat door de bezetting wordt geschonden. Ook bestempelde Nederland de bezetting als illegaal en de nederzettingen als oorlogsmisdaden. Mensenrechten gelden altijd. Bij ernstige schendingen moeten alle staten samenwerken om deze te beëindigen, zonder erkenning of steun aan de illegale situatie.
Als twee Nederlanders ruzie hebben over een stukje grond, bepalen we niet op basis van politieke voorkeur wie de eigenaar is; het Nederlandse recht heeft het laatste woord. Toch leven veel westerlingen, als het over het Israëlisch-Palestijnse conflict gaat, in de illusie dat zij op basis van hun politieke voorkeur (omdat hun favoriete land Israël is, of ze denken dat Joden superieur zijn en Palestijnen inferieur) ze mogen beslissen wie recht heeft op de bezette gebieden en wanneer een Palestijnse staat mag ontstaan. Zo leven zij in een parallel universum.
Nederland kan kiezen: meegaan in eindeloos uitstel met steeds nieuwe smoezen, of doen wat het volkenrecht van alle staten verlangt en wat het land zelf als plicht heeft erkend. Dat betekent geen hulp en geen erkenning voor de illegale situatie, samenwerken om de schending te beëindigen en de Palestijnse staat erkennen binnen de bezette gebieden. Toen ik zes was had ik het autootje moeten teruggeven. Zilververf veranderde niets aan het eigendom. Het recht vraagt vandaag om precies dat: stoppen met verhullen, inleveren wat niet van jou is.
Geredigeerd door Pascale Esveld
Be First to Comment