Politici, journalisten en columnisten zwaaien de laatste tijd met een rapport van José Hak en Maaike van Charante. Daarin beweren de auteurs dat de NOS-kinderprogrammering anti-Israël is. Ik factcheckte vier uitspraken over internationaal recht in dat rapport. Ze waren allemaal onjuist. Dit is mijn vijfde factcheck en gaat over wat zij beweren over de Zesdaagse Oorlog.
De auteurs citeren de NOS als volgt: “Een verrassingsaanval van Israël op de Arabische buurlanden Egypte, Jordanië en Syrië. Israël verovert in een paar dagen tijd onder andere Oost Jeruzalem, de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook.”
Volgens Hak en Van Charante laat de NOS hier relevante feiten weg. Israël was volgens hen niet de agressor. Bij de Zesdaagse Oorlog “ging het om een preventieve aanval van Israël na oplopende regionale spanningen, guerrilla-aanvallen van Palestijnse groeperingen op Israël, een hernieuwde blokkade van de Straat van Tiran door Egypte, troepenopbouw in de Sinaï en oorlogszuchtige retoriek vanuit Egypte.” Door alleen te spreken over een “verrassingsaanval van Israël” zou de NOS volgens hen het beeld scheppen van Israël als agressor.
Opvallend: de presentatrice vertelt zelf al twee keer dat ze in één video niet alles kunnen vertellen.
Is het woord “verrassingsaanval” dan bevooroordeeld? Ik zocht op 5 juni 2026 in LexisNexis naar “verrassingsaanval” binnen 25 woorden van “1967” of “zesdaagse”. Resultaat: 44 treffers. De term komt voor in vrijwel het hele Nederlandse medialandschap: NRC Handelsblad, AD, De Volkskrant, Trouw, De Groene Amsterdammer, Vrij Nederland, Het Parool, regionale kranten en zelfs De Morgen.
Belangrijker nog: de term komt ook voor in uitgesproken pro-Israëlische media, zoals Nederlands Dagblad, Reformatorisch Dagblad, EW Magazine, De Telegraaf en Nieuw Israëlietisch Weekblad. Zelfs in een interview met Ronny Naftaniel, decennialang directeur van het CIDI, duikt de term op. Ook op de site van CIDI zelf staat “Israëlische verrassingsaanval van 5 juni 1967”.
Kortom: alle media, van links tot rechts, noemen het een verrassingsaanval.
Op YouTube gaan Hak en Van Charante nog een stap verder. In een filmpje speciaal voor kinderen beweren zij dat Israël in 1967 werd aangevallen.
De Amerikaanse professor internationaal recht John Quigley publiceerde bij Cambridge University Press het boek “The Six Day War and Israeli Self Defense: Questioning the Legal Basis for Preventive War”. Hij schreef acht boeken over het conflict in Palestina en gebruikte archieven uit Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en Rusland. In dat boek bestrijdt hij juist de argumenten waarmee de aanval van Israël als rechtmatige preventieve zelfverdediging wordt voorgesteld.
Neem de blokkade van de Straat van Tiran. Quigley betwist dat die juridisch een ‘gewapende aanval’ vormde in de zin van artikel 51 VN-Handvest. Een maritieme blokkade is niet automatisch een gewapende aanval. Zelfs als de sluiting onrechtmatig was, haalde die de drempel van een “armed attack” niet. In de woorden van het Internationaal Gerechtshof moet het gaan om “the most grave forms of the use of force (those constituting an armed atttack)”.
Het volkenrecht vereist dat staten conflicten met vreedzame middelen oplossen, zoals diplomatie, onderhandelingen, bemiddeling, feitenonderzoek, goede diensten, conciliatie, arbitrage en rechtszaken:
“Another approach being aired to resolve the straits passage issue was to submit it to the International Court of Justice at The Hague. US senators Charles Percy, J. William Fulbright, and Wayne Morse thought that intervention by the court might work. Egyptian Foreign Minister Mahmoud Riad relayed Senator Fulbright’s suggestion to Nasser. General Rikhye, after meeting with Nasser, said that Nasser was ready to go to the court or to international arbitration. Nasser had his legal staff prepare background papers for a formal Egyptian legal position.”
Sterker nog, Israël geloofde zelf niet dat zijn aanval een legale preëmptieve aanval zou zijn (ook wel aangeduid als ‘anticiperende’ zelfverdediging). Israël wilde soldaten als burgers verkleden en hen door de Straat van Tiran op een burgerschip laten varen, zodat Egypte als eerste zou schieten. Daarna loog Israël in de Veiligheidsraad dat Egypte als eerste had aangevallen. Een aantal Israëlische leiders verklaarde zelfs achteraf dat Israël niet in gevaar verkeerde. Premier Begin noemde het bijvoorbeeld een “war of choice”: “In June 1967 we again had a choice. The Egyptian army concentrations in the Sinai approaches did not prove that Nasser was really about to attack us. We must be honest with ourselves. We decided to attack him.”
Zelfverdediging is alleen toegestaan als “an armed attack occurs” of onmiddellijk dreigt. Quigley analyseert de Egyptische troepenopbouw, het vertrek van de UNEF, Nassers retoriek en de spanningen met Syrië, en concludeert dat er geen overtuigend bewijs was van een onmiddellijk dreigende aanval. Troepenopbouw alleen is geen aanval. De Egyptische troepen waren in een verdedigende positie opgesteld, juist omdat zij bang waren dat Israël een aanval zou plegen. Aan het Caroline-criterium van noodzakelijkheid en onmiddellijkheid werd niet voldaan. De westerse geheime diensten beschouwden Egypte niet als een gevaar en voorspelden dat Israël binnen een week zou winnen, ook als de Arabieren zelf zouden aanvallen.
Sterker nog, tussen 1948 en 1967 vertelden verschillende Israëlische leiders dat zij meer territorium nodig hadden en dat sommigen van hen gefrustreerd waren dat Israël de Westelijke Jordaanoever niet al in 1948 had veroverd.
Palestijnse guerrilla-acties vanuit Syrië of Jordanië konden bovendien niet zonder meer aan Egypte worden toegerekend. Feitelijk schakelde Israël als eerste de Egyptische luchtmacht uit. Jordanië raakte pas daarna betrokken omdat het een zelfverdedigingsverdrag met Egypte had, vergelijkbaar met de NAVO, wat in het volkenrecht neerkomt op legale collectieve zelfverdediging.
En oorlogszuchtige retoriek is juridisch geen gewapende aanval. Sterker nog, vanuit Israël klonk ook oorlogstaal. Quigley’s conclusie is dat er geen gewapende aanval op Israël plaatsvond en dat de Israëlische actie geen legitieme zelfverdedigingsoorlog was.
Zoals de voormalige vicepresident van het ICJ, Christopher Weeramantry, zegt: “the burden of proof that force has been authorized lies heavily on the party or parties seeking to use force and that such proof needs to be absolutely clear and unambiguous.” Dat bewijs ontbreekt in de Zesdaagse Oorlog.
Zou de NOS dan evenwichtiger zijn geweest als zij had gezegd wat Hak en Van Charante eisen? Nee. Want dan had de NOS ook Quigley’s tegenargumenten moeten noemen. Anders zou de omroep bevooroordeeld zijn in het voordeel van Hak en Van Charante – en in mijn nadeel.
En daar zit het grootste gebrek van hun rapport. Zij beweren steeds dat de NOS dingen verzwijgt die volgens hen de waarheid zijn, maar die in de historische en juridische literatuur door anderen worden bestreden. Met andere woorden: Hak en Van Charante vinden de NOS partijdig omdat de omroep niet dezelfde propaganda verspreidt als de Israël-lobby.
Geredigeerd door Pascale Esveld
Be First to Comment