Skip to content

De NOS en het woord ‘bezetting’ — waarom het rapport van Hak en Van Charante geen stand houdt

José Hak en Maaike van Charante beweren in een rapport van ruim 300 pagina’s dat de NOS-kinderprogramma’s bevooroordeeld zijn ten opzichte van Israël. Het rapport wordt voortdurend bijgewerkt — het versienummer op iedere pagina en in de bestandsnaam verraadt dat. Toch worden de nieuwere versies niet sterker. Integendeel: ze verzwakken de oorspronkelijke claims, zonder er ooit bewijs bij te leveren.

Neem hun stelling dat de NOS ten onrechte het “beladen” woord bezetting gebruikt.

In versie v1.1-080925 schreven zij nog stellig:

Bezetting is geen neutrale term, het roept in Nederland associaties op met de Duitse bezetting, terwijl het hier om een heel andere zaak gaat. (…) Militair bestuur zou een betere term zijn.” [mijn vet]

Deze paragraaf heb ik hier weerlegd en aangetoond dat juridisch de term bezetting het meest gangbare is.

In versie v2.0-08042026 is diezelfde passage opgerekt én afgezwakt:

“Bezetting (hier met sterke klemtoon) klinkt voor de meeste mensen niet als een neutrale term, het heeft een sterke negatieve connotatie. Juridisch gezien is het op zich wel een neutrale term, maar er zijn natuurlijk grote verschillen tussen militaire bezettingen. In Nederland roept het al snel associaties op met de Duitse bezetting, terwijl het hier om een heel andere zaak gaat. Zo was de Westelijke Jordaanoever nooit een soeverein land, en geen enkel ander land kan er legitiem aanspraak op maken. (…) Militair bestuur zou volgens sommige juristen [495] een betere term zijn.”[1] [mijn vet]

Let op de verschuiving: van “is geen neutrale term” naar “klinkt voor de meeste mensen niet neutraal”. Voor die nieuwe, zwakkere claim leveren de auteurs echter geen enkel bewijs. Geen enquête, geen taalkundig onderzoek, niets.

Wat zeggen de feiten?

Ik doorzocht op 17 april 2026 LexisNexis (Dutch Language News) op “militair bestuur” AND Israël — 163 treffers, voornamelijk citaten uit interviews, niet journalistiek taalgebruik. De zoekopdracht “bezetting” AND Israël leverde meer dan 10.000 resultaten op; beperkt tot 2025 waren het er nog altijd 5.450.

Conclusie: ‘bezetting’ is in de Nederlandse media veruit de gangbare term. De NOS volgt dus eenvoudigweg het standaard taalgebruik — precies wat een publieke omroep hoort te doen.

Voetnoot 495: de eigen bron weerlegt het betoog

In versie v2.0-08042026 verwijzen Hak en Van Charante naar voetnoot 495 om hun stelling te onderbouwen dat “sommige juristen” ‘militair bestuur’ beter vinden. In de wetenschap onderbouwt een voetnoot een claim. Als iemand beweert dat 1+1=5 en verwijst naar een artikel, moet dát artikel bewijzen dat 1+1=5. Bewijst het juist dat 1+1=2, dan is de voetnoot misleidend.

En precies dat is hier aan de hand. Voetnoot 495 verwijst naar een artikel van professor David Kretzmer in de Israel Law Review. De titel alleen al spreekt boekdelen:

“The West Bank as Occupied Territory: The Irrelevance of the Mandate and the Lack of Jordanian Sovereignty”.[2]

Kretzmer beweert dus letterlijk het tegenovergestelde van wat Hak en Van Charante hem in de mond leggen.

Wat betoogt Kretzmer écht?

Kretzmer weerlegt systematisch de twee argumenten waarmee Israëlische regeringsjuristen (Blum, Rostow, commissie-Levy) ontkennen dat de Westoever bezet is:

1. Het soevereiniteitsargument — “Jordanië was geen legitieme soeverein, dus geldt het bezettingsrecht niet.”

  • Artikel 2 van het Vierde Verdrag van Genève (GC IV) geldt bij élk gewapend conflict tussen verdragspartijen. De tweede paragraaf is juist toegevoegd als extra bescherming, niet als beperking.
  • Israël zelf paste GC IV direct na de Zesdaagse Oorlog toe via een militaire oekaze die verklaarde: “In case of conflict between this Order and the said Convention, the Convention shall prevail.”
  • Het Palestijns Mandaat was een zogeheten “A-Mandaat” (artikel 22 van het Volkenbondverdrag). Dat betekende iets belangrijks: de gemeenschappen die onder zo’n mandaat vielen, werden voorlopig al erkend als onafhankelijke naties — ze hadden alleen tijdelijk begeleiding nodig tot ze volledig op eigen benen konden staan. Palestina had dus in feite al de status van een staat-in-wording. Daarmee klopt de bewering van Hak en Van Charante niet dat “de Westelijke Jordaanoever nooit een soeverein land was, en geen enkel ander land er legitiem aanspraak op kan maken.”[3]
  • Sinds het VN-Handvest en het Chagos-advies van het ICJ geldt: als er geen staatssoeverein is, ligt soevereiniteit bij het volk (zelfbeschikkingsrecht). De Westoever was géén terra nullius — dat erkende zelfs Blum. Terra nullius is het juridische concept dat stelt dat land dat door niemand wordt bestuurd of bewoond, door een staat kan worden geclaimd als rechtmatig eigendom.

“The denial that territory that was not part of the sovereign territory of another state cannot be regarded as occupied territory was based, inter alia, on denial of the right of the Palestinians in the West Bank and Gaza to self-determination. Rostow admitted that he regarded the notion of self-determination of peoples as problematic, absent any definition of the term ‘peoples’. He ignored the fact that the ‘people’ are, first and foremost, the inhabitants of a territory that is not part of an existing state. As the ICJ held in the Chagos case, the right of self-determination of the population of a territory that was subject to foreign rule was established in the 1960s. Hence, when Israel conquered the West Bank and Gaza in June 1967, the Palestinian inhabitants of these areas, which did not become part of the sovereign territory of another state after the end of the Palestine Mandate, were entitled to self-determination. Of course, now that the Palestinians have gained universal recognition as a people and Israel itself has recognised the Palestinian people, the Rostow-Blum view becomes even more problematic.”[4]

Mijn commentaar: GC IV gaat over de bescherming van burgers tijdens de oorlog en tijdens bezetting. Artikel 2 begint met:

“Onverminderd de bepalingen welke reeds in tijd van vrede in werking moeten treden, is dit Verdrag van toepassing ingeval een oorlog is verklaard of bij ieder ander gewapend conflict dat ontstaat tussen twee of meer der Hoge Verdragsluitende Partijen, zelfs indien de oorlogstoestand door één der Partijen niet wordt erkend.

Het Verdrag is eveneens van toepassing in alle gevallen van gehele of gedeeltelijke bezetting van het grondgebied van een Hoge Verdragsluitende Partij, zelfs indien deze bezetting geen gewapende tegenstand ontmoet.” [mijn vet]

Israël en de Israël-supporters zeggen dat CG IV niet van toepassing is omdat de tweede paragraaf spreekt van het grondgebied van een andere staat, maar Jordanië (menen de Israël-supporters) was zelf een bezetter, geen rechtmatige eigenaar.

Echter het ICJ en de rest van de wereld beroept zich op de eerste paragraaf, die duidelijk zegt dat landen bij elk militair conflict het verdrag moeten respecteren. De tweede paragraaf zegt alleen dat het verdrag ook geldt wanneer een land geweldloos zonder verzet bezet wordt. Deze paragraaf was toegevoegd als extra veiligheid, zodat de burgers in alle mogelijke gevallen beschermd worden. Ben Saul zegt dat Stone’s argument in strijd is met de letterlijke interpretatie, de ontstaansgeschiedenis en het doel van de Geneefse conventies.[5]

Sterker nog, het ICJ zegt dat Israël zelf had toegegeven dat GC IV van toepassing was toen Israël onmiddellijk na de zesdaagse oorlog een militaire oekaze nam waarin het stond: “the Military Court… must apply the provisions of the Geneva Convention dated 12 August 1949 relative to the Protection of Civilian Persons in Time of War with respect to judicial procedures. In case of conflict between this Order and the said Convention, the Convention shall prevail.”[6]

1.1 De jure toepassing:

Israël stelt dat de regels van het oorlogsrecht niet van toepassing zijn op de Palestijnse gebieden, omdat er geen sprake is van bezetting. Tegelijkertijd zegt het land zich wél te houden aan de regels die burgers beschermen — maar niet omdat het volkenrecht daartoe verplicht. Dat gebeurt, zo luidt de redenering, uit vrije wil. Voor het Israëlisch Hooggerechtshof beriep de staat zich consequent op het gewoonterechtelijk bezettingsrecht (Haags Reglement). In de Ha’etzni-zaak verwierp rechter Landau uitdrukkelijk het argument-Blum: art. 43 Haags Reglement (dat enkel geldt in bezet gebied per art. 42) gold de jure.[7]

1.2 Conclusie sectie 1: Zelfs als Jordanië geen legitieme soeverein was, werd de Westoever bij verovering in 1967 bezet gebied; de bevolking behield het zelfbeschikkingsrecht.

2. Het Mandaat voor Palestina en de status van de Westoever

2.1 Achtergrond mandaatsysteem: Compromis tussen de koloniale ambities van Groot-Brittannië/Frankrijk (Sykes-Picot 1916) en Wilsons 14 Punten (1918) over zelfbeschikking. Ontworpen door Jan Smuts — “liberaal internationalisme, imperiaal humanitarisme en territoriale hebzucht” (Pedersen).

2.2 Art. 22 Covenant:

  • “Heilige beschavingstaak” richt zich tot alle bewoners (zonder onderscheid).
  • A-Mandaten (voormalig Ottomaans): gemeenschappen voorlopig erkend als onafhankelijke naties.
  • Mandaat voor Palestina: art. 2 (burgerlijke en religieuze rechten van alle bewoners); art. 15 (non-discriminatie).

2.3 Balfour-verklaring & San Remo (1920):

Men leest op social media en op de opiniepagina’s dingen zoals: “In de vroege jaren twintig, nadat de Balfour-verklaring door de grote Europese mogendheden was erkend in het Verdrag van San Remo.”[8] Of: “En in de slotresolutie van San Remo staat heel duidelijk dat Israël de eigenaar werd van een nationaal tehuis voor het Joodse volk in Palestina.”[9] Of: “Deze politiek werd nog eens bevestigd in het Verdrag van San Remo.”[10] Of: “Wel bindend is het akkoord dat 51 landen, de complete Volkenbond in die tijd, ondertekenden op 25 april 1920 in San Remo. Daarin werden de historische rechten van het Joodse volk op het land Israël internationaal erkend.”[11] Ook Hak en Van Charante linken vijf keer naar een artikel van Efraim Karsh, waarin hij beweert dat de San Remo-conferentie een beslissend moment was waarop de internationale gemeenschap formeel het recht van het Joodse volk op een nationaal tehuis in Palestina erkende en dit via het mandaat aan Groot-Brittannië liet uitvoeren.[12] Hak en Van Charante linken naar dat artikel en beweren: “Het was al tientallen jaren duidelijk dat na het vertrek van de koloniale machten ook de Joden hun eigen staat in het Midden-Oosten zouden krijgen.”[13] Echter, Efraim Karsh stelt in het artikel niet dat dit “al tientallen jaren duidelijk” was; zijn betoog is dat de formele internationale erkenning van een Joods nationaal tehuis pas beslissend werd vastgelegd bij de San Remo-conferentie en later in het mandaatstelsel, niet dat een Joodse staat voorafgaand daaraan als vanzelfsprekend of reeds lang vaststaand gold. Sterker nog, de San Remo-resolutie bleef “falling short of the proposed Zionist formula that ‘Palestine should be reconstituted as the national home of the Jewish people’.”[14] [mijn vet]

Het verleden biedt helderheid in conflict Israël en Palestijnen

Volgens Kretzmer:

Geen Volkenbond-conferentie. In tegenstelling tot wat de Kabinetssecretaris in zijn brief van 19 juni 2023 beweert, was San Remo géén bijeenkomst van de Volkenbond, maar een vergadering van de Principal Allied Powers (Groot-Brittannië, Frankrijk, Italië en Japan) — de overwinnaars van WO I. Kretzmer noemt deze voorstelling “ignorance”.

Doel van de conferentie. Het opstellen van een vredesverdrag met Turkije en het bepalen van de toekomst van de Ottomaanse gebieden. Daar werd besloten dat Groot-Brittannië het Mandaat over Palestina zou krijgen en dat de Balfour-verklaring in dat Mandaat zou worden opgenomen.

Geen juridische bindende kracht. De afspraken in San Remo werden niet vastgelegd in een verdrag of geschreven overeenkomst en hadden daarom geen juridische, slechts politieke betekenis. Zelfs als er wél een verdrag was ondertekend, zou het alleen de deelnemende staten hebben gebonden, niet de hele internationale gemeenschap. Dus de San Remo-resolutie kon geen enkele juridische plicht voor de inwoners van Palestina creëren.

Geen soevereiniteit om over te beslissen. De landen die aan tafel zaten, hadden eigenlijk helemaal geen recht om te beslissen over gebieden die niet van hen waren. Turkije moest die gebieden eerst zelf officieel opgeven — en dat gebeurde pas in het Verdrag van Lausanne (1923), niet in het Verdrag van Sèvres, dat nooit is goedgekeurd. Vergelijk het zo: stel dat Buurman A en Buurman B samen Buurman C in elkaar slaan, en daarna doen alsof ze zijn huis mogen verkopen.

Juridische status pas via het Mandaat. De Balfour-verklaring kreeg pas juridische status door opname in het Mandaat, dat door de Raad van de Volkenbond werd goedgekeurd op 24 juli 1922 — niet door de Assemblee en niet unaniem door de hele Volkenbond (de Raad had slechts 8 van de 51 leden).

Samenvattende conclusie van Kretzmer: San Remo was politiek belangrijk als consensus tussen vier mogendheden, maar kan niet worden gebruikt als juridische grondslag voor een doorlopend recht van Joden om zich op de Westelijke Jordaanoever te vestigen. De claim dat San Remo “joodse rechten op heel Palestina” vastlegde, berust volgens hem op een onjuiste voorstelling van zowel het karakter als de juridische werking van die conferentie.

“These arrangements were not incorporated in a treaty or any other written agreement, and they therefore had no legal (as opposed to political) force. Besides, even if a written agreement had been signed, it would have bound only the states that were parties to it, and not the whole international community. In all events, even under the prevailing norms of international law, the states that took part in the San Remo Conference had no legal right or authority to decide on the fate of territories over which they had no sovereignty. Even though Turkey had been defeated in the war and parts of the Ottoman Empire were occupied by Britain and France, it was accepted that until such time as Turkey renounced its sovereignty over these parts of its empire, no other state could obtain sovereignty over them.”[15]

2.4 Inhoud Mandaat (Curzon’s lijn):

  • Geen erkenning van Joodse titel of recht op Palestina.
  • Geen erkenning van Palestina als “het tehuis” van het Joodse volk, alleen de oprichting van een nationaal tehuis in Palestina (Churchill White Paper 1922 bevestigt dit expliciet).
  • Preambule spreekt enkel van “historische band”; geen recht om een staat te stichten.
  • Op Britse uitleg in San Remo omvat “burgerlijke rechten” ook politieke rechten van niet-Joden.

2.5 Goedkeuring door Raad (niet Assemblée): Slechts 8 van 51 leden. Kan dus niet worden voorgesteld als “unanieme goedkeuring door de Volkenbond”.

2.6 Geldigheid Mandaat: Kretzmer volgt Crawford — het Mandaat was rechtsgeldig (intertemporeel principe): beoordeling op basis van recht in 1922. Drie tegenargumenten (strijd met art. 22, schending zelfbeschikking, Turkse soevereiniteit) worden afgewezen.

2.7 Recht van Joden om zich te vestigen: Drie stellingen van Rostow:

  1. Mandaat erkent vestigingsrecht in heel Palestina;
  2. Erga omnes;
  3. Overleeft het einde van het Mandaat.

Kretzmers weerlegging:

  • Art. 6 Mandaat verplicht VK slechts om Joodse immigratie en “close settlement” te faciliteren/aanmoedigen, onder voorbehoud van rechten van andere bevolkingsgroepen.
  • Dit is geen recht om overal te vestigen; hoogstens een recht tegenover VK om bevordering te vorderen.
  • Het eindigde met het Mandaat.

Juridische aard Mandaat: Volgens het Namibië-advies van het ICJ was het Mandaat in feite een verdrag tussen de Volkenbond en het Verenigd Koninkrijk. De verplichtingen uit dat Mandaat golden dus alleen zolang het verdrag zelf bestond. Eventuele rechten van derden — zoals die van Joden als begunstigden — waren hooguit rechten tegenóver het VK om naleving te eisen, en géén rechten die tegenover de hele wereld golden (erga omnes).

Aanhangers van Israël beweren vaak dat het Mandaat voor Palestina aan Joden het recht gaf om overal nederzettingen te bouwen. Maar volgens Kretzmer klopt dat niet: zelfs áls het Mandaat rechten voor Joden in het leven zou hebben geroepen, dan waren dat rechten tegenover het Verenigd Koninkrijk — niet tegenover de huidige Palestijnen, en ook niet tegenover de rest van de wereld.

Vergelijk het zo: stel dat Burger X het huis van Burger Y verkoopt aan Burger Z. Dan heeft Z hooguit het recht om X aan te spreken — bijvoorbeeld om alsnog een huis te krijgen of zijn geld terug te eisen. Maar Z heeft absoluut niet het recht om van Burger Y te eisen dat die zijn huis daadwerkelijk afstaat. X kon immers nooit iets weggeven wat niet van hem was.

2.8 Art. 80 VN-Handvest: Bewaarde mandaatsrechten tijdens de overgangsperiode, maar eindigde toen VK terugtrok (door Alg. Vergadering goedgekeurd).

2.9 “Trustee”-argument (Rostow, o.b.v. Namibië-advies):

  • Klopt niet: het mandaatsysteem was er om overgang naar onafhankelijkheid te regelen, niet om staten te definiëren die geen staat zijn.
  • Zelfs als een “sacred trust” zou voortduren: die geldt voor alle volken in het gebied. Joden hebben zelfbeschikking gerealiseerd in Israël; Palestijnen nog niet → trust behelst nu hun zelfbeschikking.
  • Paradoxaal: toepassing van Namibië zou Israël als trustee maken over de Westoever, conform de “trustee”-plichten van een bezettingsmacht. ICJ bevestigt in Muur-advies de voortdurende VN-verantwoordelijkheid voor Palestina.

2.10 AV-Resolutie 181 (1947):

  • AV mocht het beëindigen van het Mandaat goedkeuren (analogie ICJ Namibië-arrest).
  • Partitieplan is aanbeveling, geen bindend besluit (art. 10 Handvest).
  • Mandaat eindigde op 15 mei 1948; Rostows claim dat het nog geldt wordt unaniem verworpen (Crawford, Feinberg, Shaw, ICJ in Muur-advies, VN-VR).
  • VNVR-resolutie 242 (1967) spreekt over staten en grondgebieden — geenszins over een doorlopend mandaat.

2.11 Mandaat en latere internationale instrumenten:

  • Er is geen juridische basis om het Mandaat voorrang te geven boven het VN-Handvest of bindende VR-resoluties (art. 25, 103 Handvest).
  • Intertemporeel principe (Palmas, Max Huber): ontstaan van rechten volgt oud recht, maar voortbestaan moet aan nieuwe rechtsontwikkelingen getoetst worden: verbod op territoriumverwerving door geweld, zelfbeschikking, verbod op overbrenging eigen bevolking naar bezet gebied (art. 49 GC IV).
  • VR-resolutie 2334 (2016) gebruikt “demand” → mogelijk bindend.

2.12 Slotkritiek op Rostow: Rostow baseerde zich op foute historische premissen (hij zag het mandaatsysteem als bevrijding van gekoloniseerden), schreef vóór de twee ICJ-adviezen over de Westoever, en de opvattingen van enkele academici kunnen niet prevaleren boven het oordeel van het ICJ, de VNVR en vrijwel alle staten (art. 38 Statuut ICJ).

3. Conclusies

  1. Soevereiniteitsargument: achterhaald sinds erkenning van zelfbeschikking; bij ontbreken van staatssoevereiniteit geldt het bezettingsrecht jegens de bevolking.
  2. Mandaatsargument: onjuist omdat
    • het Mandaat alle bewoners beschermde (heilige beschavingstaak);
    • het een verdrag VK–Volkenbond was dat eindigde in 1948;
    • het geen onvoorwaardelijk, erga omnes vestigingsrecht voor Joden erkende;
    • het Joodse nationale tehuis verwezenlijkt is door de oprichting van Israël (ook volgens Nathan Feinberg).
  3. Indien er enige “trust” voortbestaat, richt die zich vandaag op het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen.
  4. Politiek gevolg: door op koloniale mandaatargumenten te leunen, geeft Israël onbedoeld voedsel aan de kritiek dat het een koloniaal regime is — en ondermijnt zo zijn eigen legitimiteit.

Conclusie

Hak en Van Charante stellen dat ‘bezetting’ geen neutrale term is om de bezette Palestijnse gebieden mee aan te duiden, en voeren daar drie redenen voor aan:

  1. Het “klinkt voor de meeste mensen niet als een neutrale term”.
  2. “De Westelijke Jordaanoever was nooit een soeverein land, en geen enkel ander land kan er legitiem aanspraak op maken.”
  3. “Militair bestuur zou volgens sommige juristen een betere term zijn.” [voetnoot 495]

Het artikel waarnaar zij in hun voetnoot verwijzen, ondersteunt hun stelling echter helemaal niet — sterker nog, het laat juist zien dat die “sommige juristen” onzin verkopen.

Het bekende argument van Yehuda Blum werd bovendien al weerlegd door de vooraanstaande Israëlische rechtsgeleerde Eyal Benvenisti, die Blum’s argument ‘lawfare’ noemt,[16] en soortgelijke argumenten hebben het nooit gered bij rechters van het Internationaal Strafhof[17] en het Internationaal Gerechtshof.[18] Zelfs Theodor Meron — de Israëlische juridisch adviseur tijdens de oorlog van 1967, die destijds in een interne memo al schreef dat de Westelijke Jordaanoever bezet gebied was en de nederzettingen illegaal waren — schreef in 2017:

“In sum, ‘Israel . . . treats the West Bank as if it were part of its sovereign territory: grabbing land . . . and building permanent settlements.’ In my opinion, these measures deny contiguity and viability to any future independent Palestinian entity, not to mention a state. Disrespect for international law is, alas, not unusual in the affairs of states. It is rare, however, that disrespect of an international convention would have such a direct impact on the elimination of any realistic prospects for reconciliation, not to mention peace. And it is rarer still that such disrespect of international law should subsist given the number of authoritative pronouncements on the matter. Even on most disputed questions, a clear pronouncement by the International Court of Justice (as has been issued on the status of the West Bank as a territory under belligerent occupation, on the applicability of the Fourth Geneva Convention, and equally clearly on the illegality of the settlements), supported by a score of Security Council resolutions, the International Committee of the Red Cross, and a rare consensus of the international community, should have rendered any controversy moot, if not settled. Furthermore, the Israeli Supreme Court itself has routinely defined the situation on the West Bank as a territory under belligerent occupation subject to the provisions on occupation in the Hague Convention No. IV. Nevertheless, the legacy of Professor Blum and Attorney General/later Supreme Court Justice and eventually Chief Justice Meir Shamgar, who first developed the arguments on the sui generis character of the West Bank and against the applicability of the Fourth Geneva Convention, continues to prosper in wide circles of Israeli public opinion and has gained supremacy in the current policies of Israel, supporting far-reaching changes in the occupied territory, despite the character of the Convention as a people-oriented, humanitarian instrument that supports the status quo.” [mijn vet],[19]

Hieruit volgt eigenlijk maar één conclusie: en “sommige juristen” die hier anders over denken, zijn de wappies van het volkenrecht.

Je zou kunnen tegenwerpen dat de NOS beide kanten van het verhaal moet laten zien — het is immers de taak van de media om burgers alle informatie te geven die ze nodig hebben om zich een eigen, onderbouwde mening te vormen.[20] Maar als de NOS óók het verhaal van de wappie-juristen gaat vertellen, dan hoort daar net zo goed het weerwoord bij van gezaghebbende experts als Kretzmer, Meron en Benvenisti, die haarfijn uitleggen waaróm die wappies zich vergissen.

Is het dan niet een stuk logischer dat de NOS die wappies gewoon negeert en zich simpelweg houdt aan het officiële Nederlandse standpunt? Dat luidt namelijk klip-en-klaar: “Voor Nederland zijn de grenzen zoals die op 4 juni 1967 (voor de Zesdaagse Oorlog) zijn vastgesteld het uitgangspunt. Hierin bestaat de toekomstige Palestijnse staat uit de Gazastrook en de Westelijke Jordaanoever, inclusief Oost-Jeruzalem.”[21]


  1. Charante, M. van, Hak, J. (2025). Wat leren we onze kinderen? – Rapport educatief videomateriaal Israëlisch-Palestijns conflict. p. 136. Voortaan (Hak en van Charante v2.0-080426)
  2. Kretzmer, D. (2026). The West Bank as Occupied Territory: The Irrelevance of the Mandate and the Lack of Jordanian Sovereignty. Israel Law Review59(1), 4–43. Voortaan Kretzmer (2026).
  3. Hak en van Charante v2.0-080426. p. 136.
  4. Kretzmer (2026). P. 13.
  5. Saul, B. (2009). Julius Stone and the Question of Palestine in International Law. Sydney Law School Legal Studies Research Paper No. 09/106. p. 9-10.
  6. ICJ, (2004). Legal Consequences of the Construction of a Wall in the Occupied Palestinian Territory, Advisory Opinion, International Court of Justice. Para. 93.
  7. Kretzmer, D. (2026). p. 14.
  8. Sjoerd de Jong. “Toen Palestijnen vluchtelingen werden”, NRC. 2024/04/12.
  9. Sipke de Boer, “Het verleden biedt helderheid in conflict Israël en Palestijnen”, Trouw, 2018/02/01.
  10. Cohen, Dan, and Samu de Leeuw. “Links zou pro-Israel moeten zijn”, Het Parool, 2003/11/15.
  11. J. M. Breeman. “Israël”, Reformatorisch Dagblad, 2012/12/22.
  12. Karsh, Efraim. “How San Remo Birthed the Jewish National Home.”, Middle East Forum, 2020/06/01, https://www.meforum.org/middle-east-quarterly/how-san-remo-birthed-the-jewish-national-home.
  13. Hak en van Charante v2.0-080426. p. 89. En p. 148.
  14. Karsh, 2020.
  15. Kretzmer, D. (2026). p. 22.
  16. “Was Blum’s article an exercise in what some today would call ‘lawfare’ or a serious effort to approach the problem ‘without influence by innate prejudices or deep-seated subjective outlook’? All one can conclude from revisiting Blum’ s text is that it offered less than a serious effort to elucidate the legal questions. His brief argumentation leaves out too much to enable an informed assessment of the underlying claim.”,Benvenisti, E. (2017). “The Missing Argument: The Article that Changed the Course of History?” 111 AJIL Unbound 31–35.
  17. Kretzmer, D. (2026). p. 5.
  18. David Kretzmer, “The Principle of Uti Possidetis Juris and the Borders of Israel”, in: Kai Ambos (ed.), The 2024 ICJ Advisory Opinion on the Occupied Palestinian Territory, Verfassungsbooks, 2025, p. 41–55.
  19. Meron, T. (2017). The West Bank and International Humanitarian Law on the Eve of the Fiftieth Anniversary of the Six-Day War. American Journal of International Law. p. 4.
  20. [T]here remain clear principles we require of our journalism, principles that citizens have a right to expect… The first among them is that the purpose of journalism is to provide people with the information they need to be free and self-governing.”, Kovach, B., Rosenstiel, T. (2014). The elements of journalism: what newspeople should know and the public should expect.
  21. Ministerie van Algemene Zaken. “Nederlands beleid over Israël en Palestijnse Gebieden – Israël en de Palestijnse Gebieden”, https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/israel-en-de-palestijnse-gebieden/nederlands-beleid-israel-en-palestijnse-gebieden. Bezocht op 2026/04/19.

 


Geredigeerd door Pascale Esveld
Published inInternationaal RechtSofist Factory

Be First to Comment

    Leave a Reply