In zijn jaarverslag over 2025 waarschuwt de AIVD dat demonstraties voor Palestijnse rechten kunnen leiden tot verdeeldheid in de samenleving. Opvallend genoeg ontbreken de pro-Israël-demonstraties in dat rijtje — die leiden kennelijk slechts tot verbinding. De AIVD spant hier het paard achter de wagen. Niet de demonstraties voor Palestijnse rechten splijten dit land, maar het feit dat Nederland zijn eigen juridische plichten weigert na te komen.
Laten we beginnen bij het recht, want dáár ligt de kern. In 2024 bracht het Internationaal Gerechtshof (Het Hof) een advies uit over het Israëlische optreden in de bezette Palestijnse Gebieden. De conclusies zijn vernietigend en glashelder. Israël schendt het verbod op het gebruik van geweld door staten, doordat sprake is van annexatie. Israël schendt het humanitair oorlogsrecht, inclusief het bezettingsrecht. En Israël schendt mensenrechten, waaronder het verbod op discriminatie en het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen.
Het Hof gaat verder. Door de schending van het annexatieverbod en de ontkenning van het Palestijnse zelfbeschikkingsrecht is de voortdurende aanwezigheid van Israël in de bezette gebieden zélf onrechtmatig. Israël moet die aanwezigheid zo snel mogelijk beëindigen, de uitbreiding van nederzettingen onmiddellijk stopzetten, alle kolonisten evacueren en rechtsherstel bieden aan iedereen die schade ondervond.
En hier komt Nederland in beeld. Andere staten — wij dus — hebben onder internationaal recht de verplichting de onrechtmatige situatie níet te erkennen en geen hulp te bieden die de bezetting in stand houdt. Op grond van het Vierde Verdrag van Genève moeten alle staten bovendien verzekeren dat Israël het humanitair oorlogsrecht eerbiedigt. Dat is geen vrijblijvende oproep, maar een keiharde plicht.
Het ICJ stelt ook vast dat het Israëlische optreden artikel 3 schendt van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie — het artikel dat staten verplicht rassenscheiding en apartheid te veroordelen, te voorkomen en uit te bannen. Daarnaast wijst het Hof erop dat de Oslo-akkoorden Israël niet ontslaan van zijn verplichtingen onder het bezettingsrecht; artikel 47 van het Vierde Verdrag van Genève laat daarover geen twijfel bestaan. Gedwongen verplaatsing van personen, het overbrengen van de eigen bevolking naar bezet gebied en de vernietiging van eigendom: stuk voor stuk schendingen die het Hof concreet benoemt.
De Palestijnen hebben recht op een onafhankelijke staat binnen de volledig bezette gebieden. Alle staten zijn verplicht samen te werken om dat zelfbeschikkingsrecht te realiseren. Het Hof verwoordt het zo: staten moeten zich onthouden van verdragsbetrekkingen met Israël waarin het pretendeert namens de bezette gebieden te handelen, van economische en handelsrelaties die de onwettige aanwezigheid versterken, en van elke diplomatieke erkenning van die aanwezigheid. Staten moeten bovendien actief maatregelen nemen om handels- en investeringsrelaties te voorkomen die de illegale situatie in stand houden.
Vertaal dat naar Nederland en de conclusie is onontkoombaar: Den Haag moet álle handel met Israël stopzetten die de bezetting voedt — te beginnen bij de import van producten uit de bezette gebieden. Wie dat nalaat, kiest partij. Niet voor de vrede, maar voor het onrecht.
En dan terug naar de AIVD. Stel je voor: burger X wil burger Y vermoorden, en burger Z demonstreert voor de rechten van Y. Worden de medestanders van X boos, dan polariseert niet Z — dan gedragen de boze burgers zich irrationeel. De logica is simpel, en juist daarom is het onthutsend dat onze inlichtingendienst haar omdraait. Wie opkomt voor naleving van het internationaal recht polariseert niet. Polariseren doet de staat die zijn plichten ontloopt en vervolgens met de beschuldigende vinger naar zijn eigen burgers wijst.
De AIVD moet leren argumenteren. En Nederland moet leren gehoorzamen aan het recht waaraan het zichzelf ooit plechtig heeft gebonden.
Geredigeerd door Pascale Esveld
Be First to Comment