Archive for mei, 2006

Descriptief, prescriptief en onuitgesproken conclusies

Written by Mihai on . Posted in Sofist Factory

Taal is een belabberd instrument. Als je iets zegt, kan en betekent het meestaal tien andere dingen. De argumentatieregels proberen echter zoveel mogelijke misverstanden te vermijden. Als je een argument analyseert moet je erachter zien te komen wat de andere wil zeggen. Daarbij kijk je wat voor soort zinnen er worden gebruikt. Er zijn bijvoorbeeld prescriptieve (normatieve) en descriptieve zinnen. En als je een prescriptieve zin voor een descriptieve zin aan neemt, en andersom, dan kan een argument een heel andere betekenis hebben. Laat ik maar meteen een voorbeeld geven, van wat ik vandaag heb gelezen:

Zin (1): “Ik ben van nature ook van de strenge, maar weet inmiddels dat het in de praktijk zeker niet altijd zo werkt.”

Nou veronderstel ik dat deze zin over het hanteren van de argumentatieregels gaat. Wat hier gezegd wordt is: “Ik zou het prachtig vinden als de argumentatieregels gevolgd worden, maar in de praktijk gaat het niet zo.”

Wat is het probleem zou je dan zeggen? Het is toch duidelijk wat men zegt? Noooouuuu, ik weet het niet zo zeker. Neem de laatste zin: “In de praktijk werkt niet zo.” Je kan deze zin zowel als descriptief als prescriptief interpreteren. En dat is het probleem.

Een descriptieve zin beschrijft iets in de natuur, een stand van zaken. Bijvoorbeeld: “De meeste zwanen zijn wit.” Dus je zou kunnen zeggen dat de bovenste zin beschrijft een stand van zaken in de argumentatie. Je kan het vertalen als volgt: “Als we onderzoeken hoe de mensen in praktijk argumenteren, zien we dat ze zich niet altijd aan de argumentatieregels houden.” Punt.

Je zou echter de zin ook als prescriptief kunnen zien. Een prescriptieve zin is een zin die vertelt hoe de stand van zaken zou moeten zijn. “Uw product heeft mij in de eerste week in de steek gelaten. U dient uw producten goed te maken.” De allerlaatste zin is prescriptief. Of “Gij zult niet stelen” is ook prescriptief. Hoe kunnen we de bovenste zin (1) als prescriptief interpreteren? Kijk simpel. Als je zegt, “ja, maar in de praktijk gaat anders”, zeg je misschien het volgende: “wat ben je toch streng met die regels? dat werkt niet!” Of je kan zeggen: “die regels weken niet, dus laten we die regels aanpassen, of de overschrijdingen gedogen.”

Welnu, als je een dergelijke prescriptieve zin uit, dan kan je twee handelingen ermee doen. “Je slaat elke dag het baby verrot en het blijft huilen. Zie je niet dat die methode niet werkt? Probeer maar iets anders.” Deze zin zou je het kunnen veranderen in: “Ik ben ook voor een strenge opvoeding, maar in de praktijk gaat het niet altijd.” In de laatste zin zeg je precies als in de eerste en het is een prescriptieve zin. Het lijkt ook op zin (1). Hiermee is er niks aan de hand.

Nu laten we een voorbeeld bekijken waar een dergelijke prescriptieve zin de fout in gaat. Stel dat je een aangifte wil doen bij de politie, dat je portemonnee is gestolen. De agent achter de balie kijkt je een beetje alsof je van een andere planeet komt en zegt tegen jouw een beetje betuttelend: “Ik ben van nature ook van de strenge, maar weet inmiddels dat het in de praktijk zeker niet altijd zo werkt. Gaat u maar rustig terug naar huis.” Zou jij die agent niet een beetje terug kijken alsof hij van een andere planeet is? Ja, en waarom? Het is omdat je vanuit een beschrijving van de natuur geen conclusie kan trekken dat de situatie zo moet blijven. Dat zou immers de naturalistische drogreden zijn. Bijvoorbeeld Heraclitus zei: “strijd en concurrentie ligt in de menselijke natuur. Dus oorlog is goed.”

Hoe weet je echter of de spreker van zin (1) dat bedoelde? Hoe weet je dat hij zegt: “in de dagelijkse praktijk gaan veel mensen de argumentatieregels overschrijden. Dus we moeten minder streng zijn.” Deze zin kan je slecht zo formuleren als je de conclusie expliciet maakt. De spreker heeft die conclusie nooit uitgesproken. Soms is het vanzelfsprekend. Stel dat je je in een achterlijk dorp bevindt waar overspel met steniging in 100% van de gevallen bestraft wordt. Als iemand tegen de groep zegt: “zij heeft overspel gepleegd” dan is de conclusie verondersteld: “dus we moeten haar stenigen.” Voor deze sprekers is de onuitgesproken conclusie evident. In het geval van zin (1) was het niet evident dat men voor een versoepeling van de regels pleitte.

Omdat de conclusie voor jou evident is, dat beteken dat een andere dezelfde conclusie zou trekken. De argumentatieregels vereisen echter dat je zo duidelijk mogelijk bent. Wil je iets zeggen, maak het dan duidelijk wat je veronderstellingen (premissen) en wat je conclusies zijn. (dit was een prescriptieve zin) Als je dat niet doet, kan je later niet klagen dat anderen jouw woorden fout begrijpen. Ben je in een debat, krijg jij de strafpunten.

Ik hoef het niet meer te zeggen, dat onuitgesproken conclusies gebruikt kunnen worden om te misleiden. Men kan namelijk achteraf ook zeggen dat hij die conclusie helemaal niet heeft getrokken. En daarom hebben we argumentatieregels, om dit soort toestanden te vermijden. Dus zou ik zeggen: Ik weet heel goed hoe argumentatie in de praktijk gaat. Als de werkelijkheid zo is, dan jammer voor de werkelijkheid. The Rules Rule.

Debattrucs: de Reader’s Digest methode

Written by Mihai on . Posted in Uncategorized

Het feit dat u nu een brief met vertrouwelijke informatie bezit, bewijst dat u op dit moment al met 100% zekerheid prijswinnaar kunt zijn.

Hoogachtend,

Reader’s Digest

Zo’n 100% zekerheid kan je niet zomaar weggooien, dus ik heb meteen gereageerd:

Geachte heer/mevrouw,

Allereerst wil ik u hartelijk bedanken dat mij de kans hebt gegeven om met 100% zekerheid te weten dat ik een prijswinnaar kan zijn. Ik wil daardoor deze kans grijpen en iets voor u terug doen. Het feit dat u nu een brief met vertrouwelijke informatie bezit, bewijst dat ik op dit moment al met 100% zekerheid uw klant zou kunnen worden.

Hoogachtend,
Mihai Martoiu Ticu

Inmiddels zijn we 124 woorden verder, maar geen enkele stap verder. Wat weten we met zekerheid? Of wat kunnen we aannemelijk maken? Het enige wat we met 100% zekerheid weten is dat de PTT met twee postzegels rijker is geworden. Wat we nog met zekerheid weten is dat deze methode of functioneert of niet. Als het niet functioneert dan weten we dat Reader’s Digest, die jaarlijks 3 miljard dollar omzet draait, een ontzettend belabberde marketingtechniek heeft. Als het wel werkt, dat betekent dat bedrog werkt. Het zou dus leuk zijn om het in een debat te proberen.

Nou, hoe doe je dat? Vertel eerst bijvoorbeeld een gefantaseerd verhaal. Het maakt niet uit hoe gek het is. “Hoe groter de leugen, hoe groter de geloofwaardigheid, hoe minder het opvalt bij het grote publiek.” – zei ooit de meester overtuiger Goebbels. Wat maakt het uit, je wordt toch nooit betrapt, als je het volgens de Reader’s Digest methode doet. Want je vertelt immers geen leugen.

Vertelt dus een zo levendig mogelijk verhaal en daarna vertel je je publiek dat het verhaal waar zou kunnen zijn. En als het werkt, werkt door twee redenen: de dubbele betekenis van het woord “kunnen” en door de levendigheid van het verhaal.

Kunnen 1
Het woord “kunnen” betekent in de eerste betekenis eigenlijk niks. Eenhoorns kunnen bestaan. Eenhoorns kunnen tegelijkertijd ook niet bestaan. Dus als je zegt dat een verhaal waar kan zijn, zeg je eigenlijk niks. Het verhaal is niet aannemelijker geworden door te zeggen dat het waar kan zijn.

Kunnen 2
Het woord “kunnen” betekent echter ook iets dat met waarschijnlijkheid te maken heeft. Als je naar de garage met je auto gaat en je beschrijft het rare geluid dat je auto maakt, zegt de monteur: “Aha, het kan X zijn”. Op dat moment is de kans dat het inderdaad X is, groter dan de kans dat het niet is. Of als je de deurbel op een bepaalde tijdtip van de dag hoort en je zegt: “dat kan de melkman zijn” Dus de waarschijnlijkheid wan het woord “kunnen” is groter dan het bestaan van eenhoorns.

Welnu, als je je publiek een gefantaseerd verhaal vertelt, en je vertelt dat het mogelijk is dat het verhaal waar zou zijn, werkt het woord “kunnen” toch slinks op de psyche van je publiek, op twee manieren en volgens de tweede betekenis.

Onbewuste invloed
Ten eerste is het luisteren naar een argument een soort weegschaal. Alles wat een verteller vertelt wordt of op de pro- of op de contraschaal gelegd. Heel veel dingen worden echter niet bewust op een of op de andere schaal gelegd. En omdat er al een tweede betekenis van het woord “kunnen” de waarschijnlijkheid vergroot, kan het gebruik van “kunnen” een invloed hebben op het oordeelvermogen van het publiek. Met andere woorden zeg je “kunnen” en je publiek denkt “waarschijnlijk of meer dan waarschijnlijk”.

Zelftwijfel bij het publiek
Ten tweede, omdat het publiek niet weet met welke betekenis je het woord hebt gebruikt, kan het publiek denken dat je het aannemelijk hebt gemaakt, maar dat de luisteraar het argument heeft gemist. Onze concentratie is namelijk niet altijd even gefocust. We verliezen daardoor in elke gesprek/speech/debat een aantal zinnen. Soms kunnen deze juist de zinnen zijn met de clou. Andere keren missen we gewoon de clou omdat we niet zoveel tijd hebben gehad om een argument te analyseren. Dus het publiek, of een deel ervan, is geneigd te geloven dat je het woord “kunnen” met de betekenis “hoogwaarschijnlijk” gebruikt en geeft je het voordeel van de twijfel, dat je een goede redenering hebt gevoerd.

Versterking door op de man te spelen
Je kunt dit voordeel van de twijfel versterken door een verhaal te vertelen over het mogelijke slechte karakter van je tegenspreker. Of vertel een verhaal over de mogelijke slechte bedoelingen van je tegenspreker. Bijvoorbeeld iemand reageerde ooit op mij op een forum: “het is mogelijk dat je een infiltrant van Al Qaeda bent. Hoe weten we dat je het niet bent?” Ja, goeie vraag. Bewijs dat maar, dat je het niet bent.

Het doet het niet toe dat een karaktermoord een ongepaste discussiezet is, de ad hominem. En het doet het niet toe dat de intenties van een spreker ook niet van belang zijn voor een argument. De menselijke psyche werkt volgens het principe van het zekere voor de onzekere te nemen, eerst te schieten en pas daarna te vragen. Kijk bijvoorbeeld hoe in de periodes voor de verkiezingen allerlei verhalen over het onbehoorlijke leven van de kandidaten opduiken. Of kijk hoe ouders hun kinderen van een school af halen op het moment dat er geruchten zijn dat de leraren ontucht plegen. Dus, ondanks het feit dat het niet uit maakt voor het argument, heeft het spelen op de man zijn gewenste effect.

We hebben het gezien dat het werken aan je eigen geloofwaardigheid “ethos” genoemd wordt. Deze techniek werkt door het ethos van je tegenstander te ondermijnen.

Afleidingsmanoeuvre
Dezelfde techniek kan je gebruiken om van het onderwerp af te leiden, bijvoorbeeld als je aan het verliezen bent en je liever de tijd wil rekken. Je suggereert dat het mogelijk is dat de tegenspreker een slecht karakter heeft of slechte bedoelingen.

Je bent nog veilig ook, want je hebt het niet echt gezegd: “je bent een leugenaar, of een bedrieger” of iets dergelijks. Je tegenstander valt echter vaker in je valkuil, valt in de verdediging. Want we hebben allemaal de neiging om ons te verdedigen. Onze reputatie en onze intenties kunnen we niet door anderen geschonden laten worden.

Stel dat hij heel fel op jou reageert, bijvoorbeeld ontzettend verontwaardigd, dan kan je altijd onschuldig zeggen dat je nooit hebt beweerd dat hij een bedrieger is. Je hebt alleen gezegd dat hij een bedrieger kan zijn. En het feit dat hij zo fel reageert, op iets dat niet echt gezegd is, maakt hem bij zijn publiek verdacht. Het is zoals men in de detectives over allerlei suggestieve zaken spreekt, de verdachten uitlokt, totdat de verdachten plotseling zich aangesproken voelt en roept: “ik heb helemaal niks gedaan.”

En als hij in verdediging valt, dan moet hij zich met zijn verdediging bezig houden en niet met het argument, waar het eigenlijk om ging. Dus voor jou handig als je de tijd wil rekken, als je geen andere argumenten hebt of zo.

In de verdediging zal je tegenstander de neiging om wat te overdrijven, over zijn kwaliteiten en zijn goede intenties. Deze overdrijving kan echter een nieuwe aanleiding zijn om hem als onbetrouwbaar te zien. Als jij het aan kan tonen dat hij overdrijft, dan is hij plotseling onbetrouwbaar. Het werkt dus in jou voordeel. Deze overdrijvendheid kan ook door het publiek opgepikt worden en kan dus weer in zijn nadeel werken.

Stel dat je tegenstander je verhaal gewoon negeert, omdat het een drogreden is, dan is hij weer in de ogen van een deel van het publiek verdacht: “wie zwijgt stemt toe, immers”.

Het niet onmogelijk kunnen zijn
Een andere debattruc, die in dezelfde categorie valt, is het bewijzen dat iets niet onmogelijk is. Dat maakt het inderdaad niet aannemelijker dat het waar is, maar sommigen in het publiek trappen daarin.

Levendigheid
En dan iets over de levendigheid van een verhaal. De menselijke psyche werkt zo dat men een verhaal aannemelijker ziet als het levendiger is. Dat hangt er echter slechts van je literaire talent af.

Conclusies
Dus drie dingen hebben hun effect: spelen op de man, het afleiden, en het gebruik van het woord “kunnen”. Jij bent in de discussie redelijk veilig, want je hebt immers niks keihaard beweerd. Je hebt alleen gezegd dat een bepaald verhaal waar kan zijn. Als je debat door een jury is geleid, zal de jury er echter niet in trappen. Want het vertellen dat iets waar kan zijn, geen enkele waarde als bewijsvoering heeft en daardoor een drogreden is. Bovendien, is het beweren dat iets mogelijk is en concluderen dat wel het geval is, ook een drogreden, zelfs heb jij zelf die conclusie niet getrokken. Je krijgt dus ontzettende strafpunten.

Je weet nu met 100% zekerheid dat het gebruiken van het woord “kunnen” een werkende debattruc kan zijn. Met dank aan Reader’s Digest.

De denkfouten van Peter

Written by Mihai on . Posted in Sofist Factory


Ik zou samen met Peter een boek over de drogreden kunnen schrijven. Ik de theorie, hij de voorbeelden. Het lukt hem bijvoorbeeld om binnen 50 woorden 3 tot 5 drogredenen te produceren. Peter schrijft in deze enkele reactie bijvoorbeeld:

“Geen enkel doel heiligt de middelen die hij [bin Laden] gekozen heeft. Normale mensen snappen dat feilloos. Ik hoef niet te bedenken welke omgangsvormen hij had kunnen kiezen. Er zijn er velen, in die landen, die ook met bepaalde zaken moeite hebben, maar die wel erin slagen de toegestane middelen te vinden.”



Drogreden 1: “Prejudicial Language”

“Normale mensen snappen dat feilloos.” – zegt Peter. In het algemeen heeft deze drogreden de form: “Iedereen die intelligent, moreel, welwillend etc is, is het met mij mee eens.” Durf het maar te zeggen dat je met hem oneens bent, dan ben je automatisch abnormaal, immoreel etc. En als je abnormaal bent, dan is je standpunt automatisch ongeldig. Geen speld ertussen te krijgen.

Deze drogreden heeft ook andere vorm, die later door mijn gesprekspartner twee keer wordt gebruikt. Hij noemt bij voorbaat de boeken die ik lees ‘wetenschappelijke’ boeken, wat de suggestie wekt dat hij er twijfels bij heeft, zelfs weet hij niet om welke boeken het gaat. Of hij zegt over de autoriteiten die ik mogelijk zal citeren slechts voor “sommigen” autoriteiten zijn, zelfs weet hij nog niet welke autoriteiten die zijn. We zien duidelijk hier en hier dat deze voorbeelden zijn van “Prejudicial Language”

Drogreden 2: Inconsistentie
Peter zegt dat het vermoorden van 3000 mensen door geen enkele doel gerechtvaardigd is. Ok, prima met mij. In een andere reactie, zegt Peter echter helemaal iets anders. Ik vertelde bijvoorbeeld dat de Amerikaanse militaire interventies sinds 1945 tot nu toe tussen 12 en 16 miljoen slachtoffers hebben veroorzaakt, waarvan 95% burgers. Of dat in het Midden Oosten in de laatste 50 jaar 35 staatsgrepen (of pogingen) zijn gepleegd en slechts 1 was het zonder Westerse inmenging. Dus sommige daden dienen verklaard te worden.

Peter vertelde verder echter: “Wat de wereldleiders (links òf rechts) van de democratische landen in de loop der tijd vooral hebben gedaan is de belangen van hun land veiligstellen en –houden. Dat doel is op zich legitiem – en ook nog eens op impliciet verzoek van de landgenoten” Hier de context:

MAW volgens Peter heiligt geen enkele doel het vermoorden van 3000 burgers, maar de belangen van een Westers land zijn wel een legitiem doel, dat het vermoorden van miljoenen burgers heiligt. Vooral als het een impliciet verzoek van de landgenoten is om te doden. De impliciete verzoeken van je landgenoten heiligen blijkbaar extra de middelen.

Deze inconsistentie gaat veel verder in mijn partner’s gedachtegang. Ergens verwijt hij mij dat ik niet aan zelfkritiek doe. Echter volgens hem wat de “wereldleiders van de democratische landen” (sic!) doen is “legitiem”. Soms zijn er wat excessen of de gekozen uitvoering is overdreven. Dus zijn zelfkritiek is cosmetisch, slechts voor de vorm. Zijn zelfkritiek richt zich slechts op minder of onbelangrijke zaken. Het enige fout die wereldleiders kunnen doen is in de uitvoering van een heilig doel, maar ze kunnen nooit foute bedoelingen of doelen hebben.

De consistentie zou vereisen dat Peter ook kritiek op de doelen en intenties van de “wereldleiders van de democratische landen” voert, niet alleen op onbelangrijke dingen, zoals de af en toe uit de hand gelopen uitvoering.

Drogreden 3: ontduiken van de bewijslast
Ontevreden mensen moeten volgens Peter iets anders dan geweld gebruiken:
“Ik vind dat het ontevreden mensen duidelijk gemaakt moet worden dat ze aandacht kunnen krijgen, maar dan wel op voorwaarde dat er redelijke omgangsvormen in acht worden genomen.”

Welnu, als iemand “redelijke omgangsvormen” moet gebruiken, veronderstelt dat dat er zulke vreedzame omgangsvormen bestaan. Dus ik vroeg Peter de bewijslast te accepteren en “een aantal voorbeelden van dit soort omgangsvormen die hij [bin Laden] tot zijn beschikking heeft” te geven.

Peter ontduikt echter weer de bewijslast: “Ik hoef niet te bedenken welke omgangsvormen hij had kunnen kiezen.” In plaats van de bewijslast te accepteren en een voorbeeld te bedenken, gaat hij weer een onbewezen stelling tegenover zetten: “Er zijn er velen, in die landen, die ook met bepaalde zaken moeite hebben, maar die wel erin slagen de toegestane middelen te vinden.” Dus hij beantwoordt een drogreden met dezelfde drogreden. En als hij de eerste niet hoeft te bewijzen, durf ik te wedden dat hij het laatste ook zal ontduiken. Leuk gebluft.

Drogreden 4: Cirkelredenering

Wat mijn gesprekspartner doet is te zeggen dat men vreedzame middelen heeft omdat men vreedzame middelen heeft. Want om te zeggen dat anderen die middelen gebruiken en als je geen voorbeelden noodzakelijk zijn, dan veronderstel je dat ze bestaan. Ik wil slechts één enkel voorbeeld horen, van iemand in de Derde Wereld, die Amerika met vreedzame middelen heeft kunnen overtuigen om in zijn land geen dictator aan de macht te houden. Slechts één voorbeeld.

Welke middelen die er bestaan, hoeft Peter ook niet te bewijzen omdat hij, zegt hij in een andere reactie, geen behoefte heeft om de feiten te kennen: “Ik voel in het geheel geen behoefte om ook maar enige intellectuele aandacht te schenken aan het gedachtegoed van deze terrorist.” De logica hierachter is: als je geen behoefte hebt om iets te bewijzen, hoef je niets te bewijzen en je hebt automatisch gelijk. Dat is dus de vijfde drogreden:

Drogreden 5: Een standpunt als heilig verklaren
Peter zegt: “Terroristen zijn bij uitstek onredelijk bezig.” Met andere worden, is wat de terroristen doen bij voorbaat onredelijk. En Peter hoeft niet naar tegenargumenten te luisteren omdat hij geen enkele behoefte heeft. Met andere woorden heeft Peter bij voorbaat gelijk.

En als je hem vertelt dat hij verplicht is om zijn standpunt te bewijzen en niet als heilig te verklaren, beantwoord hij: “Jij noemt het ontduiken van de bewijslast. Ik noem het niet in de valkuil trappen.” Hij heeft dus zijn eigen definities waarin het ontduiken van de bewijslast niet het ontduiken van de bewijslast heet, maar het ontduiken van een valkuil.

En zo ken ik nog meer van die definities: marteling is uitgebreide ondervraging (enhanced interrogation), oorlog is vrede, vrijheid is slavernij, onwetendheid is kracht.
Hij ziet het echter aankomen, dat hij uitgedaagd zal worden om het te bewijzen dat het een valkuil is, en gooit een extra drogreden in de discussie. Hij hoeft namelijk geen bewijzen te brengen, omdat ik die bewijzen makkelijk kan ontkrachten.

“Elk voorbeeld dat ik zou geven van een ‘omgangsvorm’ zal door jou worden aangegrepen om tegen te spreken. En dat tegenspreken gaat je lukken, want, zo blijkt uit je gedegenheid én negatieve beeld van Het Westen, je hebt een grote voorraad ‘kwalijke’ voorbeelden paraat, bijeen vergaard uit publicaties op internet, van human rights organisaties en uit ‘wetenschappelijke’ boeken.”

Met andere woorden Peter heeft gelijk, omdat hij zijn stellingen niet hoeft te bewijzen, want als hij zijn stellingen zou proberen te bewijzen, deze door mij ontkracht zouden worden. Logisch toch? Mijn ontkrachting is niet geldig omdat het volgens de regels van de argumentatie geldig is. Nee mijn argument is bij voorbaat ongeldig omdat ik een “negatieve beeld van Het Westen” heb.

Peter weet het van tevoren dat ik bronnen van autoriteiten zou brengen. Hij weet ook van tevoren welke autoriteiten deze zullen zijn. Deze autoriteiten, weet Peter op miraculeuse wijze, zijn niet voor iedereen autoriteiten: “zijn inderdaad autoriteiten, althans voor sommigen,” Met “sommigen” bedoelt hij zeker gekken en kwaadaardigen die een negatief beeld van het Westen hebben. (weet je het nog. Het is: “Prejudicial Language”)

Dus Peter kan of gedachten lezen of de toekomst voorspellen. Dat is ook niet wonderbaarlijk als we weten dat zijn intuïtie ook onfeilbaar is.

Maar waarom kan Peter mijn argumenten niet ontkrachten? Waarom kan hij deze autoriteiten niet tegenspreken? “Omdat zij gelijk hebben en ik [dus Peter] ongelijk? Nee, niet daarom. Maar omdat het een heidens karwei is om middels verwijzing naar àndere publicaties, organisaties en boeken alle beschuldigingen te ontzenuwen.” Dus Peter heeft gelijk omdat hij te lui is om naar bewijs te zoeken. Is het niet weer een beetje het heilig verklaren van een argument?

Het is ook tegelijkertijd de Argumentum ad ignorantiam drogreden. Wat is hier de sugestie? We weten niet dat Peter die argumenten niet kan ontkrachten, is de stelling. Het is dus niet onmogelijk dat hij gelijk zou kunnen hebben. Dus hij kan het wel doen, dat is de suggestie.

En omdat zijn tegenpartij, dus ik, bevooroordeeld is (én negatieve beeld van Het Westen heeft), dan kan het niet anders zijn dat Peter gelijk heeft. Is dat niet een poging om via karaktermoord iets te bewijzen? Sugesties, sugesties, sugesties, sugestie. Peter is vol suggesties.

Hij zou het wel kunnen pogen om mijn argumenten te ontkrachten, met geldige argumenten, maar, suggereert hij, ben ik zo dogmatisch, dat het niet uit maakt hoeveel argumenten hij inbrengt. Hij zou mij toch niet kunnen overtuigen: “En zou dat nou zoden aan de dijk zetten, dan zou ik het kunnen wagen. Maar mijn gevoel zegt me dat het me niet gaat lukken je te overtuigen, althans niet zomaar en zeker niet snel.” Hij hoeft echter niet te bewijzen dat de argumenten mij niet zouden overtuigen. Zijn gevoel is het voldoende bewijs.

En hier komen we bij zijn gevoel, zijn vermoedens en zijn intuïties. Peter gebruikt deze in overvloed als argument. Het doet het niet toe dat deze bij voorbaat niet te bewijzen zijn. Het doet het niet toe dat onbewijsbaar is dat hij die intuïties heeft. Het doet het niet toe dat het aanvoeren van onbewijsbare argumenten een drogreden is. Voor hem zijn die intuïties heilig: “Als mijn intuïtie zegt dat er een valkuil opdoemt, dan moet ik die intuïtie niet negeren.…Ik durf zelfs rustig te zeggen dat het de plicht is van de ervaren debattant om in elk geval te trachten uitgezette valkuilen te omzeilen.” Hier hebben we met nog een andere drogreden te maken:

Drogreden 6: de Non sequitur

“Een non sequitur (“het volgt er niet uit“) is het besluit niet het logisch gevolg van de premissen.” Stel dat het waar is dat mijn partner die intuïtie heeft. Stel dat het waar is dat een ervaren debattant verplicht is om valkuilen te omzeilen. (verplicht aan wie?) Kunnen we hieruit concluderen dat de debattant de bewijslast mag ontduiken? Nee, helemaal niet. Uit die premissen kan je deze conclusie helemaal niet trekken. Dit is echter ook een andere drogreden.

Drogreden 7: Vals dilemma

Vikipedia: “Het vals dilemma, ook wel zwart-wit denken of uitgesloten derde genoemd, is een vorm van drogreden, waarbij twee alternatieven voorgesteld worden als de enige mogelijkheden, terwijl er in werkelijkheid nog andere zijn.” Peter suggereert dat er slechts twee alternatieven zijn: of zijn echte plicht doen en in een valkuil vallen, of verzuimen van de plicht en de valkuil ontwijken. Dat is echter helemaal niet het geval. Een ervaren debattant, als hij denkt dat er een valkuil is gezet, heeft ook andere alternatieven, bijvoorbeeld alerter worden, bewijzen dat het een valkuil is etc. Een echte debattant gaat in ieder geval niet de regels van het debat overtreden, met zijn intuïtie als excuus.

Ik heb Peter uitgedaagd om het aannemelijk te maken dat hij gerechtvaardigd is om zich van de bewijslast te onttrekken. Hij gaf me het volgende argument, deze keer niet meer met suggesties en vaagheden, maar heel duidelijk opgesteld:

“Premisse 1: onze keuzes vaker dan menigeen denkt mede onder invloed van zgn. irrationele factoren tot stand komen

Premisse 2: en de argumentatieregels niet een doel op zich zijn, maar een middel om een hypothese te toetsen

Premisse 3: en het in een debat eerst en vooral gaat om overtuigen van je publiek

Conclusie: dan kunnen we niet eisen dat een DEBAT slechts volgens de argumentatieregels verricht mag worden.”

Volgens mij volgt de conclusie helemaal niet uit de premissen. En stel je voor dat de conclusie waar zou zijn? Is dat het bewijs dat Peter in dit specifieke geval de argumentatieregels mag overtreden? Nee.

Conclusie

Nou heeft Peter geprotesteerd tegen het gebruik van het woord drogreden, want in de volksmond, betekent dat een kwade intentie te bedriegen. Ik gebruik het woord drogreden, zoals in de argumentatietheorie gebruik wordt. Daar betekent het slechts een redenering die de argumentatieregels overtreedt.

Peter klaagt dat ik om “de haverklap” hem ervan beschuldig dat hij drogredenen gebruikt. Ligt dat aan mij of ligt dat aan zijn manier van argumenteren? Mijn voorstel is dat hij iemand met verstand van argumentatie zoekt en die persoon gebruiken we als scheidsrechter.

Debattrucs: De zelfkritiek als misleiding

Written by Mihai on . Posted in Sofist Factory


Ik kreeg in een discussie/debat op het internet het verwijt dat ik niet zelfkritisch ben. Zoooo? Dat is niet niiiiiiiiks. En dat is inderdaad heel waar, ik ben niet zelfkritisch. Oh, jeetje, een paradox. De relevante vragen die er ontstaan zijn echter twee anderen:

1. Zou mijn vertoonde zelfkritiek de waarheid van mijn stellingen veranderen?
2. Is deze kritiek, dat ik niet zelfkritisch ben, een reglementaire discussiezet in een debat?


(1):
Stel dat ik zelfkritisch zou zijn. Stel dat ik mijn stellingen met gepaste regelmaat zou nuanceren. Kunnen we hieruit de conclusie trekken dat mijn stellingen meer kans hebben om waar te zijn? Nee, denk ik niet.

Het is inderdaad zo dat het vermogen om zelfkritisch te zijn in het algemeen je meer kans geeft om minder fouten te maken. Maar het uiten van zelfkritiek is geen bewijs dat je zelfkritisch bent.

Welnu, het uiten van zelfkritiek kan ook de kwade genius doen. Hij weet immers dat de maatschappij zelfkritiek als een deugd ziet. Het publiek ziet iemand die zelfkritiek uit en denkt: “Verrek, kijk wat een deugdelijke spreker. Hij lijkt betrouwbaar. Bovendien is het zelfkritische vermogen een eigenschap dat meer kans heeft om tot ware conclusies te leiden. Iemand die zelfkritisch is, heeft immers alle opties overwogen. Dus laten we maar deze spreker geloven.”

Heb je echter, als publiek, een mogelijkheid om te controleren of je met een oprechte zelfkritiek te maken hebt, of slechts met een manipulatietechniek? Nee eigenlijk niet. Dus na het horen van de zelfkritiek weet je niet meer dan daarvoor. Sterker nog, het enige wat je weet is dat je nu meer kans hebt dat iemand je probeert te manipuleren. Want bij de spreker zonder zelfkritiek weet je het zeker dat hij je niet met zelfkritiek probeert te manipuleren. Als een spreker zijn positie zonder zelfkritiek uitlegt, vertrouw ik hem veel meer dan een spreker, die zelfkritiek uit.

Dus zelfkritiek kan je zowel als een debattruc beschouwen als een drogreden, omdat het de waarheid van een stelling niet verandert.

(2):
Is nou de kritiek dat je niet zelfkritisch bent een reglementaire discussiezet, of is het een drogreden? Ten eerste, wat kan deze kritiek aantonen? Alleen dat de criticus geen zelfkritiek heeft waargenomen. Dat betekent niet dat je niet zelfkritisch bent. Dus als je dat hoort, moet je meteen vragen dat de criticus zijn standpunt bewijst. En hij kan het niet bewijzen, want hij kan je gedachten niet lezen. En alles wat je niet aannemelijk kan maken is een drogreden.

Dus hij weet niet of je zelfkritisch bent of niet. Hij weet slechts dat je het niet geuit hebt. En het uiten van zelfkritiek is, hebben we gezien, ook geen bewijs dat je zelfkritisch bent.

Sterker nog of je kritisch bent of niet, dat zegt niets over je huidige argument. Stel dat ik zeg: “jouw mening kan niet waar zijn omdat je niet kan voetbalen.” Herken je het? Ja, het is de ad hominem drogreden. Het is op persoon spelen en niet op de bal. Want zelfs de persoon zonder zelfkritiek, kan een argument hebben dat goed is. En waar er om gaat is het bewijzen of het ontkrachten van de stelling, niet van de persoon.

Als iemand je in een debat van het ontbreken van zelfkritiek beticht en er is een jury aanwezig, steek je vinger op en wijs de jury erop dat je met een ad hominem te maken hebt. Het herkennen van een drogreden zal door de jury met punten beloond moeten worden en je tegenstander zal met strafpunten opgezadeld zitten.

Conclusie: wees zuinig met je zelfkritiek en met de kritiek op het ontbreken van zelfkritiek.

Overtuigingsmiddelen: ethos, pathos en logos

Written by Mihai on . Posted in Beste Blogs, Sofist Factory

“Aristoteles onderscheidt twee soorten overtuigingsmiddelen: de technische en niet-technische. Niet-technische overtuigingsmiddelen hangen niet af van de vaardigheid van de spreker, maar houden in dat de spreker uit bestaand materiaal put.” Bijvoorbeeld wetten, documenten, getuigenverklaringen, bekentenissen etc. De technische middelen zijn “door de spreker zelf bedachte om het publiek van de aanvaardbaarheid van zijn standpunt te overtuigen.

Aristoteles onderscheidt drie categorieën technische overtuigingsmiddelen:” Ethos, pathos en logos.

“Een spreker maakt gebruik van ethos als hij direct of indirect naar zijn eigen kwaliteiten verwijst. Volgens Aristoteles is dit het effectiefste overtuigingsmiddel: een publiek dat vertrouwen heeft in de spreker zal geneigd zijn diens standpunt te aanvaarden. Een spreker maakt gebruik van pathos als hij inspeelt op de emoties van het publiek. In verband hiermee merkt Aristoteles op dat vreugde, verdriet, liefde of haat het oordelen vermogen kunnen aantasten. Als de spreker gebruikmaakt van logos, probeert hij zijn publiek te overtuigen door middel van argumenten.” [Eemeren, 1987]

Je zou Aristoteles de vader van de moderne verkoopkunst kunnen noemen. Ethos, dus het verwekken van vertrouwen in het publiek, heeft vooral met het talent van de spreker om vertrouwen op te wekken, te maken. Het heeft dus heel weinig te maken met de juistheid van de argumenten. De getalenteerde kwade genius kan even veel of zelfs meer vertrouwen opwekken dan de oprechte, minder getalenteerde goede genius. Dus jezelf als product kunnen verkopen, overtuigt meer dan de kwaliteit en de juistheid van je argument. Dat toont aan hoe irrationeel een publiek is.

Pathos, dus inspelen op emoties, levert de wereld ook aan de kwade genius over. Dit heb ik op twee plekken beargumenteerd:
‘Ik zal je vermoorden, maar ik heb goede argumenten voor.’
Emotionele dilemma’s en paradoxen

In de argumentatietheorie is alles wat een stelling noch aannemelijker noch minder aannemelijk maakt, een drogreden, dus een discussiezet dat de waarheid in de weg staat. Welnu, het ethos en het pathos, kunnen een stelling noch bewijzen, noch ontkrachten. Dat ik mijzelf als betrouwbaar voor kan doen, maakt mijn argumenten niet meer waar dan ze zijn. Denk bijvoorbeeld aan een politicus met een kind in zijn armen. Dat wekt vertrouwen op, maar voegt niets toe aan zijn argumenten. Als ik jouw vreugde, liefde, verdriet, haat of doodsangst kan gebruiken om jou van iets te overtuigen, zal dat geen extra waarheid aan mijn stellingen toevoegen. Denk bijvoorbeeld aan Bush en zijn “mashroom cloud” argument. Dat speelt in op je doodsangst in, maar het maakt niet waarschijnlijker dat de massavernietigingswapens bestaan.

Dat wil zeggen dat gebruikmaken van ethos en pathos een drogreden is. Ze overtuigen, maar brengen ons geen stap dichter bij de waarheid. En de waarheid is ons doel. Want een betrouwbare kennis van onze materiële en sociale omgeving, dus de waarheid, meer kans heeft om ons gelukkiger en langer te doen leven. Daarentegen garanderen de ethos en de pathos vooral het langere en gelukkigere leven van diegene die deze technieken gebruikt om te overtuigen.

Daarom noem ik Aristoteles een charlatan. Zijn boodschap is: hei, slinkse mensen van de wereld, hier is een techniek om je de minder intelligente mensen te manipuleren en ze te gebruiken voor je eigen doeleinden. En in feite is dat wat in de wereld gebeurt. Neem de Bushes, de Balkeneden en de meeste andere politici, neem de bedrijven en de succesvolle zakenmensen als voorbeeld en je weet wat ik bedoel. Zij kunnen in het publiek heel goed het vertrouwen opwekken en kunnen heel goed op je emoties inspelen. En hun argumenten deugen meestal niet.

Lang leve de Logos.


Literatuur:
Eemeren, F. H. van, R. Grootendorst, and F. Snoeck Henkemans. 1987. Handboek argumentatietheorie, Historische achtergronden en hedendaagse ontwikkelingen Groningen: Nijhoff.

Emotionele dilemma’s en paradoxen

Written by Mihai on . Posted in Uncategorized

 


Ik heb ooit de beroemde woorden “Je kan de mens niet met rationele argumenten van gedachten laten veranderen” uitgesproken. En dat geeft aan welke problemen men in de argumentatie met de ratio heeft.


Als je een debat aan gaat dan begin je met de volgende veronderstellingen:

1. Je accepteert de mogelijkheid dat je je zou kunnen vergissen.
2. Je wil met gelijke wapens vechten
3. Je bent allebei op zoek naar de waarheid
4. Je belooft dat je moreel bent.

Welnu, emoties zijn de beste manier om de mensen van iets te overtuigen. Over het gebruiken van emoties wordt, soms heel emotioneel, in de argumentatietheorie gedebatteerd. De twee kampen kunnen niet van tevoren een overeenstemming bereiken over de vraag of in dit debat wel of geen emoties toegestaan zijn.

Het is zoals een oorlog waarin een van de partijen van mening is dat je massavernietigingswapens mag gebruiken, en de andere partij niet. De oorlog is juist uitgebroken door deze oneindigheid. Beide partijen hebben ze, maar hoe kunnen ze van tevoren een overeenkomst afsluiten, want de ene zegt dat het mag, de andere zeg dat het niet mag? Welnu, als de ene partij, die er voor is, ze gebruikt, dan wordt de tegenpartij in een mum van tijd tot as getoverd. De tegenpartij heeft eigenlijk slechts twee keuzes: sterven en gelijk hebben, of die wapens ook gebruiken, winnen en tegelijk verliezen.

Maar emoties zijn niet alleen de beste manier om mensen te overtuigen, emoties zijn ook de beste manier om fouten te maken. Kijk bijvoorbeeld naar Nazi-Duitsland. De Duitsers zijn via emoties overtuigd om Hitler te volgen. En als je een debat aan gaat, doe je aan waarheidsvinding. En je wil de beste instrumenten gebruiken om de waarheid te vinden. Die instrumenten zijn zeker niet de emoties. Want de emoties zijn datgene wat je rationaliteit verblinden. Dat betekent dat emoties automatisch een vorm van manipulatie zijn. Door emoties in een debat te gebruiken, sla je eigenlijk je gesprekspartner, en misschien het publiek, op een moment dat ze met de rug naar je toe staan, met een honkbalknuppel op hun kop en je tekent met hun hand een overeenkomst, waarin het staat dat jij gelijk hebt. Dat is in strijd met het beginsel dat je met gelijke wapens moet strijden.

Dus je weet dat je met behulp van emoties het beste kan overtuigen. Dan denk je, dat door de emoties te gebruiken, de tegenstander het inzicht zal krijgen van de waarheid die je verkondigt, en achteraf je dankbaar zal zijn. De tegenstander zal dan zeggen: “bedankt dat je me met onaanvaardbare middelen uit mijn duistere onwetendheid heb bevrijd.” Je behandelt de andere eigenlijk als een kind, die misschien het nu niet begrijpt dat je nu bepaalde maatregelen moet nemen, maar dat je later dankbaar zal zijn voor je opvoeding.

Aan de ene kant zou je ook willen dat iemand je uit je dogmatische houding zou bevrijden, als jij door dogma’s verblind zou zijn. Je zou dat willen ongeacht of de middelen onrechtmatig zijn. Je denkt eigenlijk: stel dat ik een verblinde Duitser zou zijn, dan zou ik ook willen dat iemand mij als een kind behandelt. Aan de andere kant, dit is in contradictie met de veronderstellingen van de argumentatie. Beide partijen moeten in het begin toegeven dat ze zich kunnen vergissen. En als je je kunt vergissen en de andere ook de mogelijkheid van gelijk hebben gunt, dan kan je niet meer de tegenpartij als een kind behandelen, alsof jij de enige bent die de waarheid weet, in de veronderstelling dat na oneigenlijke middelen gebruikt te hebben, het kind jou dankbaar zou zijn.

Sterker nog, het is niet alleen gelijk behandelen van de tegenpartij, en gelijk behandeld willen worden, de enige redenen waarom je er van uit moet gaan dat je je kunt vergissen. Elke rationele mens, die vooruit wil gaan in zijn denken, moet een gezonde dosis scepticisme hebben. De mensheid is slechts vooruitgegaan door van gedachten te veranderen. Dus je moet rekening houden dat je je kunt vergissen. Stel je nu voor dat theorie een vergissing is en je hebt inmiddels de andere zoals een kind behandeld, je hebt hem misleid om jouw foute theorie te accepteren. Dat is niet alleen slecht voor de andere, maar ook voor jou, voor iedereen. Want het hebben van de juiste theorie een grotere kans geeft op een langere, gelukkigere leven en op de overleving van de mens. Een mensheid, die steeds dommer wordt, is gedoemd tot uitsterven.

En nu over het immoreel handelen. Door de emoties in de argumentatie toe te staan, heeft de kwade genius meer kans te winnen dan de verdediger van het goede. De menselijke geest heeft namelijk de eigenschap om het zekere voor het onzekere te nemen, ongeacht of dat anderen schade toebrengt. De menselijke geest is gericht op overleving en functioneert daardoor volgens het principe: schiet eerst en vraag later.

Stel je voor dat de kwade genius met bepaalde bewijzen komt dat we nu moeten handelen, want anders gooit Iran morgen om zeven uur een atoombom op Nederland. De kwade genius speelt daarbij op de allersterkste emotie van de mens, de doodsangst. De goede genius is bij voorbaat in een zwakkere positie. De goede genius heeft daartegen geen vergelijkbare emoties, die even sterk zijn om er op in te spelen. Het enige wat de goede genius kan doen is te zeggen: stel je voor dat jij een Iraniër zou zijn, zou jij dood willen gaan omdat een kwade genius de Nederlanders heeft gemanipuleerd? De goede genius kan slechts op de morele emoties van de mens inspelen, op zijn altruïstische emoties. Al deze emoties zijn zwakker dan de doodsangst. De dood is altijd sterker dan moraal. De dood is sterker dan altruïsme. De menselijke psyche denkt in zichzelf: “Die Iraniërs zijn heel ver weg, het zijn een andere soort, geen lid van mijn familie, groep, religie etc. Laat ik maar nu zelf overleven en als ik me vergis, ga ik later het boetekleed aandoen. Zelfs als ik terecht moet staan, is dat nog minder erg dan de dood.”

De goede genius kan een door emotie verblind publiek ook niet met rationele argumenten overtuigen, ook door de tijdsdruk waaronder de emoties je zetten. Het toestaan van emoties in de argumentatie betekent het overleveren van de wereld aan het kwade.

Toevallig ben ik dogmatisch, onflexibel en vrijwel emotieloos. Daarom dwing ik al mijn argumentatietegenstanders om in een debat niet op emoties in te spelen. Je moet daardoor van heel goede huizen af te komen om mij van het tegendeel te overtuigen. Of je kan alvast je honkbalknuppel achter je rug verbergen.

Vraag aan de onbevangen lezer

Written by Mihai on . Posted in Geen categorie

Zou je als scheidsrechter voor de volgende onenigheid willen optreden? Waar het om gaat is een beslissing over de betekenis van een zin. Zo ja lees de onderstaande zin goed door:

Oorspronkelijke zin:
“Onze keuzes zijn echter vaker wel dan niet min of meer irrationeel.”

Welke van de twee andere zinnen geeft het beter weer wat de bovenste zin beweert?

Interpretatie 1: “Onze keuzes zijn in meer dan de helft min of meer irrationeel.”

Interpretatie 2: “Veel beslissingen lijken onlogisch, maar blijken bij nadere analyse toch nog het resultaat van complexe, rationele afwegingen.”

En hier is de context:

De interpretatie van een argument

Written by Mihai on . Posted in Geen categorie

Het formuleren van een argument en het interpreteren ervan vereisen een bepaalde zorg. Taal is namelijk (bijna) altijd voor meerdere interpretaties vaatbaar. De ethische plicht van een bewerende mens is daardoor om zo precies mogelijk te zijn. De ethische plicht van de interpretator is daardoor om een argument in zijn sterkste mogelijke interpretatie te weergeven. Ik denk dat het onderstaande stukje tekst van een discussiepartner verzuimt op deze punten:

‘Dus wanneer een ander erom verzoekt, zullen argumenten gegeven moeten worden. Altijd? Nee, zeg ik. Stel ik zeg “de muur in mijn woonkamer is wit” en de ander die mijn woonkamer niet kan zien zegt dat deze geel is. Moet ik dan gaan beargumenteren? Nee toch?! Stel, ik zeg dat Al Qaida een terroristisch netwerk is, moet ik dat dan, na al deze jaren, nog steeds gaan aantonen met verwijzingen naar boeken, artikelen, regeringsverklaringen en kranten? Nee toch?! Op zo’n moment mag ik, vind ik, wel de tegenstander in het debat in twijfel trekken, zo van “voelt u zich wel helemaal goed?”’ (Hier de oorspronkelijke context)
Wat de discussiepartner hier zegt is dat hij vindt dat hij in bepaalde gevallen zich aan de bewijslast mag onttrekken. (Dat ik het daarmee oneens ben heb ik hier uitgelegd).
Maar waar het mij nu om gaat is de manier waarop het argument opgebouwd is. Mijn discussiepartner en ik hebben namelijk een discussie over bin Laden en Bush. In deze discussies had ik twee stellingen:

  1. In de terrorismediscussie ziet het Westen een ding over het hoofd: bin Landen heeft ook (legitieme) politieke eisen.
  2. Ik heb het in de discussie beargumenteerd dat Bush als misdadiger gezien kan worden.

Welnu, ik heb moeite met de formulering van het bovenste citaat. Zoals het geformuleerd is, kan het op twee manieren geïnterpreteerd worden. Aan de ene kant kan het citaat volstrekt onafhankelijk gezien worden van mijn twee stellingen. Aan de andere kant kan het citaat geïnterpreteerd worden als verbonden met onze oude discussie. In die discussie heeft mijn discussiepartner namelijk een dergelijk houding genomen, met betrekking met mijn stelling dat Bush misdadiger is. Daar heb ik het volgende argument gebruikt:
Laten we kijken hoe het Nederlandse rechtssysteem werkt. De aanklager heeft als bewijslast om te bewijzen dat een moord plaats heeft gevonden en dat de verdachte de daad heeft verricht. Zodra de aanklager dat heeft bewezen, gaat de bewijslast naar de verdachte verschuiven. De verdachten moet één van de volgende drie dingen bewijzen:

  1. dat de daad niet plaats heeft gevonden, bijvoorbeeld door het aan te tonen dat het vermoedelijke lijk nog leeft.
  2. het aan te tonen dat hij niet de dader is
  3. of het aan te tonen dat zijn daad gerechtvaardigd is, bijvoorbeeld als zelfverdediging.

Welnu, in Irak is tenminste 1 mens als gevolg van Bush’s daden overleden. Het doden van een mens is een misdaad. Dus Bush is een misdadiger. Het bewijslast wordt dus geschoven naar de verdediging. Niemand ontkent dat de daad plaats heeft gevonden, noch dat de dader de dader is. Dus de verdediging heeft slechts de derde alternatief en is verplicht te bewijzen dat Bush een goede reden heeft gehad om zo te handelen.

In deze discussie, voor zover dat ik het herinner, heeft mijn discussiepartner de houding aangenomen, die hij in het bovenste citaat als acceptabel beschrijft. Hij heeft het niet zo geformuleerd, maar de houding was: “voelt u zich wel helemaal goed?””

En hier ontstaat het probleem met het bovenste citaat. Want het bovenste citaat noemt niet het oorspronkelijke argument als voorbeeld, maar een ander argument. Hij zegt dat hij niet hoeft te bewijzen dat “Al Qaida een terroristisch netwerk is” “na al deze jaren”. Dat heeft mijn discussiepartner een redelijke punt. Het probleem is echter dat ik niet gevraagd heeft dat hij bewijst dat “Al Qaida een terroristisch netwerk is”. Ik heb gevraagd dat hij het bewijst dat Bush onschuldig is.

In het geval van Al Qaida is de stelling van mijn discussiepartner sterker. In het geval van Bush is hij zwakker. Mijn mening is daardoor dat mijn discussiepartner zich aan een van de volgende twee onrechtmatige discussiezetten schuldig maakt:

Mogelijkheid 1:

Hij heeft mijn argument in een zwakkere positie geïnterpreteerd. Want ik heb een ander bewijs geëist dan in het bovenste citaat. En zijn reactie was zoals in het bovenste citaat maar op een andere stelling. Met andere woorden wordt hier iets aangevallen dat ik niet heb gezegd. In de argumentatietheorie heet dat de stroman drogreden (lees denkfout).

Mogelijkheid 2:

Stel dat mijn discussiepartner helemaal niet aan onze oude discussie refereert. Het bovenste citaat kan echter heel makkelijk zo geïnterpreteerd worden. Dat wil zeggen dat mijn discussiepartner zich niet aan de eerste regel van de argumentatie heeft gehouden. Hij heeft namelijk niet zo zorgvuldig mogelijk gehandeld om de mogelijkheid van meervoudige interpretaties uit te sluiten.

Een argumentatiescheidsrechter, als hij denkt dat een stelling op meerdere manieren te interpreteren valt, diskwalificeert de stelling meteen. Dat beschouwt hij namelijk als de drogreden van de ambiguïteit. Natuurlijk houdt de scheidsrechter rekening met het feit dat alle of bijna alle taaluitingen op meerdere manieren geïnterpreteerd kunnen worden. Maar hij kan besluiten dat de slordigheid van een stelling te groot is, en dit is volgens mij een dergelijk geval.

Extra opmerking

Het is mogelijk dat het bovenste citaat volstrekt onafhankelijk is van mijn eerdere argumenten. Ik heb het ergens anders uitgelegd waarom men zich niet aan de bewijslast kan onttrekken. Zelfs als ik mijn discussiepartner een gunst zou willen doen, door te accepteren dat hij niet hoeft te bewijzen dat “Al Qaida een terroristisch netwerk is”, deze toekenning zou irrelevant zijn voor de bewijslast in het geval van Bush.

Conclusie

Zo zien we waarom het belangrijk is dat een stelling de mogelijkheid voor meerdere interpretaties uit gaat sluiten en dat de interpretator een stelling in zijn sterkste interpretatie weergeeft.