Causaliteit, Geloof en Vrije Wil

Door Mihai. CAT: Geen categorie

1 Oorzaak

De mens is een zóón causalus. Dat wil zeggen, van het Grieks-Latijns naar het oer-Hollands vertaald, een causale freak. Hij gelooft dat zijn zintuigen slachtoffers van bepaalde vormen van bedrog kunnen worden. Echter, ondanks het feit dat niemand tot nu toe een causaliteit heeft zien lopen, vliegen, zwemmen of kruipen, staat causaliteit in zijn gedrag en gedachten als een rots in de branding. Een vluchtig idee is machtiger dan zijn tastbare wonden. Wat bezielt de mens hierin? (Zie je wel, ik veronderstel dat er een reden erachter zit, een oorzaak, een oorsprong)

Op het eerste gezicht zou je denken dat de mens de behoefte heeft om zijn omgeving te beheersen en andere vijandige mensen te controleren (A). En als hij het weet wat stormen doet ontstaan (B), kan hij ze beter ontwijken. Dan zou je zeggen dat de mens niets anders wil dan langer en gelukkiger leven. Maar dat is geen antwoord op mijn vraag, waarom de causaliteit zo diep in ons geest geworteld is?

Over twee specifieke aspecten van het causaliteitsbegrip wil ik hier een verhaal vertellen. Ik zal ze de Natuurlijke en de Teleologische causaliteit noemen. Punt (B) gaat over de Natuurlijke causaliteit, over de oorzaak van de dingen in de natuur. Punt (A) gaat over de Teleologische causaliteit, over het doel van een agent.

Eerst wil ik het rotsvaste geloof in de causaliteit wat losser maken. Daarna suggereer ik dat deze rotsvastigheid misschien het gevolg is van keiharde structuren in onze hersenen. En als laatste wil ik suggereren dat gedrag dat doet alsof er Causaliteit, God en Vrije Wil zou bestaan en het simuleren daarvan, een evolutionair voordeel oplevert. Daarmee wil ik ze gedeeltelijk verklaren.

2 Hoe werkelijk is de echte werkelijkheid (of zoiets)?

"Reality is that which, when you stop believing in it, doesn’t go away". -Philip K. Dick-

Causaliteit veronderstelt dat in de wereld verschillende dingen bestaan, dingen die heel goed van elkaar te onderscheiden zijn. Bijvoorbeeld een boom is iets anders dan een kip. Als de boom omvalt dan kan dat als gevolg hebben dat de kip dood gaat. Als de boom en de kip geen afzonderlijke dingen zouden zijn, dan zouden we niet van causaliteit kunnen spreken. Daarnaast hebben we een intuïtie of een gevoel dat de boom een de kip een bepaalde werkelijkheid hebben. Hun bestaan is niet iets dat we concluderen door te kijken of door te redeneren. Hun werkelijkheid is iets dat we zelf toevoegen aan de waarneming en aan de redeneringen. Hoe werkelijk is deze werkelijkheid?

Een oorzaak is intuïtief voorafgaand aan het gevolg. Het concipiëren van een tijdloze werkelijkheid zou ons dwingen om onze causaliteitsintuïtie te herzien.

Welnu, we hebben voorbeelden van alternatieve ervaringen, die totaal van onze kip/boom werkelijkheid verschillen, ervaringen die een eigen, sterker gevoel van werkelijkheid opleveren. Newberg et al. (2002) hebben hersenonderzoek gedaan naar mystieke ervaringen. Zij hebben van ervaren boeddhistische monniken (en franciscaanse nonnen), hun diepste, mystieke ervaringen onderzocht. De monniken beschrijven de mystieke ervaring als een gevoel van tijd- en ruimteloosheid. De grenzen van hun lichaam verdwijnen, ze verliezen hun persoonlijke identiteit en ze worden geabsorbeerd in een algeheel, ongedifferentieerd iets. Er is geen verschil meer tussen een boom en een kip en alles is ÉÉN (Parmenides zou zeggen: "I told you so"). En als klap op de vuurpijl melden ze dat deze ervaring als veel werkelijker wordt gevoeld dan de boom/kip ervaring.

Wel, deze mensen zijn gewoon gek, ze hallucineren of vertellen leugens, zou je op het eerste gezicht denken. Echter het hersenonderzoek toont aan dat in de hersenen van deze mensen bijzondere, waarneembare en meetbare dingen gebeuren, vooral in twee specifieke hersendelen. Één van deze delen, "het oriëntatie associatie gebied" (OAA) is altijd, zelfs in de slaap actief. Dit gebied is verantwoordelijk voor ons ruimtelijk en tijdelijk besef. Zonder OAA zouden we niet weten waar ons hand eindigt en de koffiemok begint. Dit hersendeel wordt bijna uitgeschakeld tijdens de meditatie. Het mystieke gevoel van tijd- en ruimteloosheid en het gevoel van eenheid van alles wat bestaat wordt waarschijnlijk door deze uitschakeling mogelijk gemaakt.

Tegelijkertijd wordt "het attentie associatie gebied" (AAA) actiever dan normaal. AAA wordt verantwoordelijk gehouden voor het concentratievermogen, focus, doelmatig denken en voor de "wil". Het is best mogelijk, speculeer ik, dat het gevoel van werkelijkheid iets met het vermogen om zich op een voorwerp te concentreren te maken heeft . Het gevoel van de mystici, dat de werkelijkheid van de meditatie werkelijker zou zijn, zou dan het gevolg van hun bijzondere mentale focus kunnen zijn.

Hieruit concludeer ik het volgende: mystici zijn geen leugenaars, ze zijn niet gek en het is mogelijk om een andere werkelijkheid te ervaren met een sterker gevoel van werkelijkheid dan de boom/kip werkelijkheid . Bovendien, de werking van de bovengenoemde hersendelen suggereert dat tijd, ruimte, onderscheid, identiteit en werkelijkheid functies zijn van de hersenen. Ze zijn niet zomaar het resultaat van een rationeel proces, maar intuïties met een biologische basis. Met andere woorden, deze intuïties ontstaan in de hersenen als gevolg van specialisatie van bepaalde hersendelen. Deze intuïties worden in de boom/kip werkelijkheid geprojecteerd. We weten echter niet of deze intuïties de buitenwereld accuraat beschrijven.

Onze waarnemingen zijn sowieso constructies van onze hersenen. We zien bijvoorbeeld schaduwen, kleuren, diepte, beweging etc. van voorwerpen. Echter deze elementen volgen verschillende paden in de hersenen en ze worden in verschillende delen van de hersenen verwerkt. Daarna worden ze ergens geassembleerd tot enkelvoudige, homogene gehelen: de voorwerpen.

Een tweede argument ter onderbouwing van mijn scepticisme met betrekking tot de boom/kip werkelijkheid, is de moderne natuurkunde. Deze wetenschap beschrijft de werkelijkheid heel anders dan wij gewend zijn. Een kip is iets anders in een natuurkundig laboratorium dan op mijn bord. En de causaliteit is daar ook minder vanzelfsprekend.

Wat is dan de oorzaak van het causaliteitsbegrip in ons denken? (ik voel het hoge drogreden gehalte van deze vraag)

3 Causaliteit, zoals de kip op je bord, krijg je van je moeder.

Een steeds groeiend aantal onderzoekers in de ontwikkelingspsychologie suggereert een aangeboren causaliteitsbesef. Een paar maanden oude baby’s zouden al een besef hebben van causaliteit zoals in onze punten (A) en (B). Baby’s hebben besef van een Natuurlijke en een Teleologische causaliteit. De wetenschappers denken dat voor deze soorten causaliteitsbegrippen een soort aangeboren "conceptenmodules" in de hersenen bestaan.

Volgens Premack (2002) maken baby’s onderscheid tussen twee soorten objecten in de wereld, de "fysieke" en de "intentionele". Ze hebben heel duidelijke causale verwachtingen van de fysieke objecten. Ze verwachten bijvoorbeeld niet de deze voorwerpen bewegen, tenzij ze door andere voorwerpen tot beweging worden aangezet. Eenmaal in beweging horen de "fysieke" objecten zich continu in ruimte en tijd te bewegen. Ze horen niet plotseling op een plek te verschijnen, te verdwijnen en op een andere plek weer te verschijnen.

Hoe weten de onderzoekers dit van baby’s die nog niet kunnen praten? Vereenvoudigd uitgelegd, meten de onderzoekers de aandachtstijd van een baby. Een baby kijkt langer naar dingen die in zijn ogen vreemd zijn dan naar andere dingen.

Van de intentionele objecten hebben ze heel andere verwachtingen. Volgens Premack gebruiken baby’s twee basisconcepten in relatie met de intentionele objecten: doelgerichtheid en waardeoordelen. Premack’s model heeft vier aannames over de intentionele (of psychologische) objecten:

1. Een fysiek object beweegt alleen als het door een ander object veroorzaakt wordt, maar psychologische objecten beginnen en stoppen hun eigen beweging; ze lijken zelf-aangedreven.
2. Psychologische objecten ondernemen doelgerichte acties.
3. Zelf-aangedreven en tegelijkertijd doelgerichte voorwerpen zijn gekarakteriseerd door intentionaliteit.
4. Baby’s kennen waarden (positieve of negatieve) aan de interacties tussen intentionele voorwerpen toe.

Spelke et al (2002) praten over een verzameling van aangeboren overtuigingen ("set of innate beliefs" of "core beliefs") met betrekking tot de fysieke objecten. Leslie (2002) poneert een hypothese van een "evolutionaire modulaire design". Onze kernbegrippen van "Agentschap" zou drie distinctieve verwerkingsmechanismen inhouden, in een bepaalde hiërarchie. Deze mechanismen resulteren in drie "commonsense" concepten van mechanische-, teleologische- en psychologische causaliteit. Gelman et al. (2002) spreken over "skeletal causal principles".

Het biologische aspect van het causaliteitsbesef wordt ook onderstreept door de gevallen van hersenbeschadiging, in gebieden die met de causaliteitsintuïtie in verband gebracht worden. Dergelijke patiënten verliezen het vermogen om oorzaken te "ontdekken" voor de meest eenvoudige gebeurtenissen. Zij leggen niet eens een verband tussen een bezoeker aan de deur en het rinkelen van de deurbel. (Newberg et al. 2002) (d’Aquili et al. 1998)

Dus onderzoek duidt aan dat de mens over causale intuïties beschikt, alvorens men heeft leren spreken. Wetenschappers denken dat dit causaliteitsbesef zelf een module is of onderdeel van modulaire indelingen van de cognitieve vermogens. In de wetenschap wordt steeds meer gedacht dat deze modules aangeboren zijn. Dit is niet zo’n gekke gedachte als we naar het dierenrijk kijken (in het volgende paragraf), waar het causale besef verbijsterend veel op het menselijke lijkt.

4 Want de mens is ook een rat (alleen groter).

Er werd aangenomen dat de causaliteit in het dierenrijk alleen op een Pavloviaanse manier werkte. Denk aan de kwijlende hond in de aanwezigheid van een lamp en de muis die een pedaal indrukt om eten te krijgen (dit laatste wordt ook instrumentale causaliteit genoemd). Echter, men twijfelde aan een vermogen van de dieren tot een Teleologische causaliteit, namelijk het realiseren van lange causale ketens, dwz zonder (mentale) representatie van de gevolgen. Adams en Dickinson (1981) hebben dit getest. Muizen kregen twee soorten voedsel na het indrukken van twee verschillende pedalen. Daarna kregen ze dezelfde soorten voedsel, zonder de pedalen in te drukken. Het verschil lag in het feit dat er in één van deze soorten voedsel een gifstof gemengd werd, die de muizen lichamelijke klachten bezorgde. Muizen leerden snel het vergiftigde voedsel te ontwijken. In het derde stadium van het onderzoek werden de muizen weer voor de oorspronkelijke twee pedalen geplaatst. De hypothese was dat als de muizen over een teleologisch (zoals bij de mens) causaliteitsvermogen zouden beschikken, dat ze dan nu het pedaal van het vergiftigde voedsel minder zouden indrukken. Ze zouden immers uit het eerste stadium het pedaal met een bepaalde soort voedsel associëren en dat soort voedsel uit het tweede stadium met het gif associëren. Nu zouden ze een causaal verband moeten maken tussen het pedaal en het gif. Het bleek inderdaad dat de muizen het pedaal met de vergiftigde stof gingen ontwijken.

Tot nu toe was het vermogen om dit soort causale verbanden te maken alleen aan de mens toegekend en was eerder omschreven als een gevolg van pure rationele beredenering. Ik wil hier echter twee dingen suggereren. Ten eerste dat de Natuurlijke causaliteit in de mens van dezelfde soort is als de pavloviaanse. We zien bepaalde dingen samen en daarna, bij het ontmoeten van één van deze dingen afzonderlijk, krijgen we hetzelfde gevoel als de eerste keer, toen ze samen waren. Dit geldt ook voor de opeenvolging van twee gebeurtenissen. Ten tweede, als we aannemen dat de muizen niet op een rationele manier maar op een natuurlijke, automatische manier de ingewikkelde causale associatie maken, dan zou ik vermoeden dat ook in de mens het vermogen om complexe causaliteitsredeneringen te doen, gestoeld is op keiharde fysische structuren in zijn hersenen. Deze structuren, zullen we in het volgende paragraaf zien, lijken een dwangmatig karakter te hebben om causaliteit, van binnenuit, in de buitenwereld te projecteren.

5 Het menselijke vermogen om zich te vergissen

Als we een echt verschil tussen mensen een dier zoeken, dan is de menselijke doorgedraaide causaliteitsbehoefte de juiste kandidaat. Mensen zoeken een patroon zelfs in reeksen getallen die door de computer willekeurig worden gegenereerd.

Yellott (1969) onderzocht de exactheid van voorspellingen van willekeurige reeksen. Men ging bijvoorbeeld een rood en een groen licht om en om laten flitsen, met een van tevoren bepaalde frequentie. Het rode licht zou bijvoorbeeld in zeventig procent van de gevallen flitsen. De deelnemer moest van tevoren, voor elke flits de volgende kleur voorspellen.

Het flitsen was verdeeld over een aantal reeksen. In de laatste reeks werd de flits niet meer willekeurig gegenereerd, maar volgde precies de voorspelling van de deelnemer. Zou de deelnemer "rood" zeggen dan flitste het rode licht. De deelnemer wist daar natuurlijk niets van. Na het experiment luisterde Yellott verbaasd naar de deelnemers, die vertelden dat ze uiteindelijk het patroon in de lichtflitsen hadden ontdekt.

De door deelnemers gebruikte strategie was ook interessant. De beste strategie om het maximum te bereiken is gewoon altijd rood te zeggen (de "maximizing" strategie). Maar de mens doet dat niet. Hij noemt rood wel in 70% van de gevallen, maar men doet dat om en om ("frequency matching"). Echter de "frequency matching" strategie leidt tot een voorspellingspercentage van 58%, wat veel minder is dan de haalbare 70%. Dieren daarentegen, gaan in gelijksoortige experimenten voor de "maximizing" strategie en blijven voorspellen wat het meest voorkomt, dus geven in veel meer gevallen de juiste voorspelling.

Wolford et al. (2000) hebben de hypothese gelanceerd dat de minder optimale keuze van de mens het gevolg zou zijn van wat zij de "interpreter" noemen, die een functie van de rechter hersenhelft zou zijn. Deze hypothese hebben ze vooral bedacht omdat de deelnemers aan Yellott’s experiment causale verbanden in willekeurige reeksen gebeurtenissen dachten te ontdekken. Om dit te testen hebben ze twee soorten deelnemers gekozen met hersenschade of zonder communicatie tussen de twee hersenhelften, als gevolg van een chirurgische ingreep. Hun hypothese werd bevestigd. Als de linker hersenhelft de test doet, dan wordt de "frequency matching" strategie gebruikt. De rechter hersenhelft gebruikt echter de "maximizing" strategie.

De "interpreter" is een concept van Gazzaniga. De "interpreter" zetelt in de rechter hersenhelft en zoekt verklaringen voor de cognitieve processen in de hersenen en voor de handelingen (Gazzaniga 1998, Gazzaniga et al. 1995, Gazzaniga et al. 1998). Zo wordt er altijd een verhaal verzonnen ook voor handelingen waarvan de echte oorzaak het bewustzijn niet kan bereiken.

Ik wil hierbij een wilde hypothese doen (shit mijn "interpreter" gaat weer tekeer). Het experiment van Wolford suggereert dat er twee causale systemen in de hersenen zijn. De rechter hersenhelft is vooral bezig met leggen van verbanden op een meer Pavloviaanse manier, zoals in de conditionering (de Natuurlijke causaliteit van punt (B)). De linker hersenhelft is meer onder de invloed van de "interpreter", die de cognitieve activiteiten van de hersenen in de gaten houdt en er een coherent, verbaal, verhaal van probeert te maken. Dit zou ik in verband willen brengen met de Teleologische causaliteit van punt (A). De inferenties en generalisaties, zoveel gebruikt in de wetenschap en filosofie, beschouwen we als gerechtvaardigd alleen als gevolg van ons vermogen om geconditioneerd te worden, in combinatie met een verbale "interpreter", gedreven door zijn grote behoefte aan verklaringen.

6 De gevolgen voor de vrije wil en religie

Newberg et al. (2002), onderschrijft het bestaan van een causale functie ("causal operator") in de hersenen. Volgens hem verzint deze functie, in de afwezigheid van een duidelijke oorzaak, zelf een oorzaak. Zodanig zou het begrip God een gevolg zijn van deze functie, die een oorzaak verzint voor alle onverklaarde gebeurtenissen in de wereld. Ik heb Newberg gemaild en hem de volgende hypothese voorgelegd: in de afwezigheid van een duidelijke oorzaak van handelingen van ons lichaam, zou het causale systeem het idee van een "Ik" een "agent", een "vrije wil", als de oorzaak van deze handelingen, verzinnen. De vrije wil zou dus een verzinsel van de causale operator zijn. Hij vond het niet zo’n gek idee: "I think your hypothesis is very well taken given the notion of the causal operator and its function. I think this does lead one to insert the self as the cause of our actions and in that way generate the notion of free will."

Als de causaliteit, vrije wil en het geloof weinig onderbouwing hebben, waarom zijn ze niet allang verdwenen?

7 Waarom zijn onze gedachten krom?

Newberg et al. (2002) vermoeden dat de religie niet verdwenen is, ondanks de verlichting, omdat geloof een evolutionair voordeel zou opleveren. Volgens onderzoekers en statistieken zou geloof positieve effecten hebben op de mentale en fysieke gezondheid. Het verschil zou zo imponerend zijn dat het vergeleken werd met het veertig jaar een pakje sigaretten per dag roken (door de niet gelovige). Als andere redenen noemen ze het biologische vermogen om mystieke ervaringen te hebben en de behoefte aan oorzaken van de causale operator.

Wegner (2002) bespreekt onderzoeken over de mensen die in een vrije wil geloven. Deze mensen functioneren veel beter in stressvolle omgevingen. En mensen, die na grote ongelukken, de oorzaak aan zichzelf toeschrijven, kunnen beter met het trauma omgaan. Het "bewuste wil" zelf is volgens Wegner alleen een somatische marker die de mens helpt onderscheiden tussen zijn eigen daden en daden van anderen. Dit heeft als doel het beter kunnen beslissen wie wat verdient. Deze wil is niet de oorzaken van onze handelingen volgens Wegner.

Ontelbare onderzoeken hebben aangetoond dat gevoel van controle essentieel is voor onze psychische gezondheid. Alle intermenselijke relaties, alle maatschappelijke structuren, moraal etc. simuleren het bestaan van een vrije wil. Op het eerste gezicht zou de mens niet zijn ontwikkeling hebben bereikt zonder vrije wil-achtig gedrag.

En zonder Pavloviaanse conditionering zou geen enkel wezen op de aarde kunnen leven. Stel je een hond voor die niet naar eten zou gaan zoeken op het moment dat de lekkere geur van biefstuk zijn neus kriebbelt.

Dus: met of zonder rechtvaardiging, levert gedrag gebaseerd op een simulatie van causaliteit, vrije wil en geloof een evolutionair voordeel op.

8 …en het gevolg

We hebben een diepe intuïtie van causaliteit en we zoeken naar oorzaken van de gebeurtenissen in de natuur. Tegelijkertijd moeten we in een causaliteit geloven om überhaupt eenvoudige handelingen te doen, zoals het planten van zaad. Het bestaan van causaliteit is echter noch door de wetenschap, noch door de filosofie bewezen. Bepaalde zaken komen samen voor of volgen elkaar op. We kunnen echter weinig over deze correlatie zeggen. Niets garandeert dat regelmatigheid in de natuur van permanente aard of wetmatig is. Met meer zekerheid weten we dat causaliteit door onze hersenen in de buitenwereld geprojecteerd wordt. Causaliteit veronderstellend gedrag vergroot onze overlevingskans. Dat is misschien de reden dat zich in de hersenen een causale operator, een interpreter of wat het ook is, heeft ontwikkeld. Causaliteit, God en Vrije Wil, drie concepten die veel samen voorkomen, geven weliswaar een evolutionair voordeel, maar ze moeten nog bewezen worden, want evolutie heeft eerder de overleving aan zijn hoofd dan de waarheid. Causaliteit, God en Vrije Wil verblijven, zoals de boeddhist stelt, voorlopig alleen in je hoofd.

Literatuur:

d’Aquili, E.G. and A.B. Newberg. 1998. "The neuropsychological basis of religions, or why God won’t go away". Zygon – Journal of religion and science VL – 33 IS – 2 SP – 187, 15p SN – 05912385,

Gazzaniga, Michael S., and Emilio Bizzi. 1995. The cognitive neurosciences. Cambridge, Mass.: MIT Press.

Gazzaniga, Michael S., Richard B. Ivry, and G. R. Mangun. 1998. Cognitive neuroscience : the biology of the mind. New York: W.W. Norton.

Gazzaniga, Michael S. 1998. The mind’s past. Berkeley, Calif.: University of California Press.

Leslie, A. M. 2002. "A theory of agency". In Causal cognition : a multidisciplinary debate, edited by D. Sperber, D. Premack, and A.J. Premack. New York: Oxford University Press Inc.

Martoiu Ticu, M. 2004. "De biologische eXistenZ (of over het niet bestaan van een vrije wil)",

Newberg, Andrew B., Eugene G. D’Aquili, and Vince Rause. 2002. Why God won’t go away : brain science and the biology of belief. 1st trade ed. New York: Ballantine Books.

Premack, D., and A.J. Premack. 2002. "Intention as psychological cause". In Causal cognition : a multidisciplinary debate, edited by D. Sperber, D. Premack, and A.J. Premack. New York: Oxford University Press Inc.

Spelke, E. S., A. Phillps, and A. L. Woodward. 2002. "Infant’s knowledge of object motion and human action". In Causal cognition : a multidisciplinary debate, edited by D. Sperber, D. Premack, and A.J. Premack. New York: Oxford University Press Inc.

Wegner, Daniel M. 2002. The illusion of conscious will. Cambridge, Mass.: MIT Press.

Wolford, G., M.B. Miller, and M. Gazzaniga. 2000. "The Left Hemisphere’s Role in Hypothesis Formation". Journal of neuroscience 20: RC64

Yellott Jr JI. 1969. "Probability learning with noncontingent success". Journal of Math Psychology 6:541-575. (geciteerd in Wolford et al. 2000)

Noten:

1. Newberg et al. (2002) suggereren zelfs het bestaan van een hersenfunctie, die verantwoordelijk is voor het gevoel van werkelijkheid, zoals de causale operator hierin beschreven.

2. Medisch onderzoek heeft aangetoond dat mediterende mensen een stabieler psyche hebben dan gemiddeld. (Newberg et al. 2002)

3. Newberg et al. (2002) argumenteren dat de mystieke ervaring ook de eigenschap van de illusies niet heeft. Als we wakker worden uit dromen, drugs of hypnose of andere vormen van illusie, zelfs al waren we tijdens de illusie overtuigd van werkelijkheid daarvan, op het moment van het ontwaken, zien we het bedrieglijke karakter van de illusie en we kennen de illusie geen werkelijkheid toe. Echter, na het ontwaken uit de meditatie, beschouwt de deelnemer het niet als een illusie. Deze toestand wordt ook achteraf als werkelijker dan de werkelijkheid beschouwd.

4. "The cognitive operators we are referring to handle abstraction of generals from particulars, the perception of abstract causality in external reality, the perception of spatial or temporal sequences in external reality, and the ordering of elements of reality into causal chains giving rise to explanatory models of the external world, whether scientific or mythical. Briefly, the inferior parietal lobule on the dominant hemisphere of the brain, the anterior convexity of the frontal lobes primarily on the dominant side, and their reciprocal neural interconnections have been fairly definitively shown to account for causal sequencing of elements of reality abstracted from sense perceptions. The operation of cross-modal transfer, which is specific to the function of the inferior parietal lobule, is particularly implicated in causal sequencing. For convenience we refer to the anterior convexity of the frontal lobe, the inferior parietal lobule, and their reciprocal interconnections as the causal operator. Thus the causal operator performs its functions on any given strip of reality in the same way that a mathematical operator functions. It organizes that
strip of reality into what is subjectively perceived as causal sequences back to the initial terminus of that strip. In view of the apparently universal human trait, under ordinary circumstances, of positing causes for any given strip of reality, we postulate that if the initial terminus is not given
by sense data, the causal operator automatically generates an initial terminus." (d’Aquili, 1998)

5 Voor een uitgebreide beschrijving van hun experimenten en verdere illusionistische talenten van de "interpreter" zie Martoiu Ticu (2004).

Trackback from your site.

Leave a comment